De aanleg van de Betuwelijn in de Alblasserwaard, heeft ervoor gezorgd dat er een lichte groei is van diverse soorten spitsmuizen. Niet alleen de absolute aantallen maar ook de hoeveelheden per soort nemen duidelijk toe. Een zanderige bodem die bovendien hoger ligt dan het maaiveld zorgt samen met de nieuwe beplanting voor de groei van “nieuwe” zoogdieren als bos – en huisspitsmuis.

Dit zijn voorzichtige conclusies uit een driejarig onderzoek  uitgevoerd door de Zoogdierenwerkgroep van de Natuur - en Vogelwacht “De Alblasserwaard”.

De aanleg van de Betuwelijn heeft de bodemstructuur ingrijpend veranderd. Het bestaande veenweidegebied is deels afgegraven en verwijderd. Er is veel zand aangebracht om en vaste bodemstructuur te krijgen voor een goede spoorlijn. In 2004 was het grondwerk gereed en kon de bodem een eigen nieuwe ontwikkeling krijgen. De plantengroei startte en het bijbehorende dierenleven kreeg zijn kans. Het traject, dat duidelijk boven het originele maaiveld ligt, is  aantrekkelijk voor muizen. Hun gangenstelsels zijn minder kwetsbaar dan in het lager gelegen veenweidegebied. De wat zanderige bodem graaft ook makkelijker dan laagveen.

Inloopvallen

Voor het onderzoek zijn ca 30 inloopvallen gebruikt. In deze vallen kunnen muizen levend gevangen en na onderzoek weer vrij gelaten worden. Per post werden twee vallen geplaatst om de vangkans te vergroten. Als lokmiddelen werden havermout,pindakaas, appel, wortel en voor de spitsmuizen (die insecteneters zijn) universeel vogelvoer gebruikt. Per onderzoek werd 3 of 4 keer langs de vangposten gelopen met een interval van 12 uur. Op deze manier krijgen we 2 dag – en 2 nachtvangsten. De algemene regel is dat kleine zoogdieren ’s nachts actiever zijn dan overdag.

De gevangen muizen worden gemeten, gewogen en op soort en geslacht gedetermineerd. Tijdens de eerste drie onderzoeksrondes, wordt er ook een klein stukje van de vacht weggeknipt om het dier te merken en zo eventuele dubbelvangsten te kunnen herkennen.

Het eerst onderzochte terrein ligt in de gemeente Sliedrecht, direct aan de westkant van de tunnel onder de Betuwelijn richting Wijngaarden.(september 2004 en 2005)

In 2006 was dit terrein net gemaaid en zijn we uitgeweken naar een ander zanderig terrein bij Papendrecht. In de toekomst is het wenselijk beide terreinen te onderzoeken omdat de bodemsamenstelling duidelijk verschillend is.

Conclusies

Uit bovenstaande beschreven onderzoeken blijkt duidelijk dat kleine zoogdieren aan de oppervlakte in de nacht actiever zijn dan overdag, waarbij moet worden opgemerkt dat ze onder de grond wèl actief kunnen zijn. Er zijn immers dagroofvogels die uitsluitend van muizen leven.

Opvallend in het rijtje van de gevangen soorten is de huisspitsmuis. Deze soort houdt van hogere en drogere plaatsen. Twintig jaar geleden was het voorkomen van deze soort in de Alblasserwaard nog twijfelachtig. Door de komst van industrieterreinen, uitbreiding van woonkernen èn de Betuwelijn, blijkt hij nu zijn biotoop te hebben gevonden.

De bosspitsmuis houdt wel van natte terreinen, deze soort is dan ook het talrijkst in de Alblasserwaard. Spitsmuizen zijn ook en beetje pioniers van nieuw grondgebied, later gevolgd door de  woelmuizen en de ware muizen.

De veldmuis is een woelmuis, een soort die misschien wel het talrijkst is in Nederland. Zijn aanwezigheid op onderzoeksterreintjes is normaal.

De bosmuis is een ware muis, deze soort komt voor op alle terreintypen. Daar hij zelf niet graaft, houdt hij van aanwezige schuilplekken. We kunnen hem vooral aantreffen daar waar menselijke activiteit plaatsvindt.

Al met al, de soorten die je mag verwachten in dit type terrein, komen er voor.

Dwergmuis en rosse woelmuis kunnen nog komen bij beter en/of ander inrichting van deze terreinen.

Bron: krantenartikel van H. de Groot

©Natuur en Vogelwacht de "Alblasserwaard". Webadres: http://www.nvwa.nl