|
|
|
Onderstaand artikel bevat een korte beschrijving van amfibieën die in de Alblasserwaard voorkomen. Ook wordt er aandacht besteed aan het voorkomen in de Alblasserwaard
We kunnen amfibieën eigenlijk tussen vissen en reptielen plaatsen. Bij hun ontwikkeling kunnen we dit waarnemen. De geleiachtige eieren, die niet bestand zijn tegen uitdroging moeten in water worden afgezet. De uitgekomen larven leven een tijd in het water en hebben evenals vissen een analoge aanpassing. Dat wil zeggen, ze ademen door de kieuwen en bewegen zich voort door middel van de staartvin. Na een aantal maanden gebeurt er iets wonderlijks, er vindt een grote verkleedpartij plaats, waardoor ze het water voor land kunnen verruilen. Maar er gebeurt nog veel meer. De kieuwen verdwijnen en longen komen daarvoor in de plaats. Bij anderen verdwijnt ook de staart en krijgen poten om zich voort te bewegen. Na al deze verkleedpartijen lijken amfibieën meer op reptielen dan op vissen. We kunnen nu de amfibieën die volwassen zijn geworden in twee groepen splitsen. De staartloze (Anura), kikkers en padden, en de staarthoudende (Urodela) waartoe de salamanders behoren. Net als bij mensen varieert de afhankelijkheid ten opzichte van water zeer sterk. Neem nu de groene kikker, deze brengt het grootste deel van zijn leven in het water door. Nemen we de watersalamander, deze bewandelt de gulden middenweg. Tijdens de voortplanting leeft hij in het water en zet zijn eitjes af. De rest van de periode vinden we hem op het land. Bij geen enkel gewerveld dier is de huid zo'n belangrijk orgaan als bij de amfibie. De glibberige naakte huid verzorgt voor een groot deel de ademhaling. De longen die ze na hun gedaanteverwisseling gekregen hebben speelt een ondergeschikte rol en zijn eigenlijk hulpmotoren. Ze beginnen pas te draaien, wanneer de zuurstofopname langs de huid gestoord wordt. Toch heeft deze voor de ademhaling belangrijke huid ook zijn nadelen. Ze biedt totaal geen bescherming tegen uitdroging. Dit is ook de reden dat amfibieën, die wel beschikken over kleine smeerpuntjes, hun huid nat moeten houden. Ze zoeken dan ook een plaatsje op die bescherming biedt tegen fel zonlicht en uitdroging. In ons land komen vijftien soorten amfibieën voor, waarvan de meeste bedreigd en beschermd zijn. Elk van deze amfibieën treft men aan in zijn eigen specifieke biotoop. Voorkomen van amfibieën in de
Alblasserwaard
Zeldzamere soorten, zoals de kamsalamander, en reptielen als ringslang en zandhagedis mogen we in dit gebied niet uitsluiten. Getuige de vondst in 1996 van een dode zandhagedis op de trap van de spoordijk te Sliedrecht en in 1998 van een levend exemplaar (8 cm) aldaar. Terwijl in 1998 op de Donk een dood exemplaar van 4 cm werd gevonden. In 2000 werden twee volwassen exemplaren aangetroffen op een aantal jaren geleden opgespoten tereintje bij een kabelfabriek in Alblasserdam. In 2000 werd er ook een muurhagedis aangetroffen tussen de stenen in een tuin in Papendrecht. Andere soorten kunnen we hier echter wel verder buiten beschouwing laten. Onze ouderwetse boerenkikker (groene kikker) is de meest bekende onder de kikkers. Deze kikkers komen algemeen voor en zijn door hun aanhoudend gezang, vooral tijdens warme zomeravonden en lentenachten, voor iedereen te horen en voor niemand onbekend. Misschien ligt daarin wel het feit, dat hun billetjes als een gastronomische specialiteit bekend staan. Daar hebben ze trouwens ook hun achternaam (esculenta = eetbaar) aan te danken. Het zijn echte waterratten en gaan dan ook niet ver van huis. Bij zonnig weer vind je ze drijvend aan het wateroppervlak of zittend op een waterplant. Ze zijn echter wel schuw. Bij de minste of geringste beweging in hun omgeving verdwijnen ze met een plons in het water. Met enkele forse slagen van hun achterpoten, die voorzien zijn van zwemvliezen, verdwijnen ze in de planten. Wanneer je even geduld hebt om te wachten, verschijnt de kop met zijn uitpuilende ogen bijna onzichtbaar weer aan het wateroppervlak.
Toch zijn het niet allemaal waterratten bij het groene kikkercomplex. Wanneer we hun biotoop gaan bekijken, zien we overeenkomsten maar ook verschillen. Het zijn alle drie zonaanbidders en houden van warmte en hebben een voorkeur voor onbeschaduwd water. Ze prefereren een dichtbegroeide oever en houden van een groot watercomplex. Zo heeft de poelkikker een voorkeur voor zwakzure stilstaande meertjes. De meerkikker daarentegen, die vindt je weer in neutraal of zwak basisch rijk begroeid water en hij houdt van een waterrijke omgeving. De middelste groene kikker vindt alles best en komt dan ook in allerlei biotopen voor. De heikikker komt het meest voor in de hogere delen van ons land, maar ook in de rest van de Nederlandse provincies is hij bekend. In de Alblasserwaard komt hij voor in onder andere polder Blokweer. Het liefst zit hij in gebieden waar vocht en veenvorming aanwezig is, een belangrijk element in zijn biotoop. Toch komt hij ook in andere biotopen voor, zoals vochtige weilanden, bosranden, langs meren en rivieren maar ook in komkleigebieden. Hij prefereert laag struweel en hoge kruidige gewassen. Zijn voortplantingsbiotoop bestaat uit ondiepe stilstaande wateren met oevervegetatie. Het water moet enigszins zuur (pH 4 - 5,5) en voedselarm zijn. Vanaf eind maart zijn ze in het water te vinden waar ze hun eieren afzetten. Bij een zacht voorjaar soms nog wel eerder. De heikikker wordt als kwetsbaar aangeduid. De plompe kop, zijn wrattige droge huid en de lompe bewegingen, laat ons duidelijk het onderscheid tussen een kikker en een pad zien. Ze komen vrijwel overal voor, zonder een bepaalde voorkeur voor een streek. Men kan ze tegenkomen op kalkgronden, in zandige streken, klei- en veengronden. Het enige wat de gewone pad in zijn omgeving nodig heeft is een voldoende diepe vijver of poel om zijn eieren af te zetten. Overdag leven ze verborgen onder de grond, in holen, die ze soms zelf graven, onder plantenafval, verscholen in spleten tussen boomwortels of onder stenen. Volwassen padden zoeken meestal gedurende lange tijd dezelfde schuilplaats op. Slechts bij het vallen van de avond of overdag bij regenachtig weer verlaten de padden hun schuilplaats. In alle Nederlandse provincies, behalve in Groningen kan je de rugstreeppad tegenkomen. Het meest komt hij voor in west- en midden Nederland, langs grote rivieren en op hoger gelegen zandgronden waar hij plaatselijk algemeen kan zijn. Hij vertoeft graag op een zanderig terrein met een golvend karakter, zoals duinen, uiterwaarden van grote rivieren en opgespoten terreinen.
Ook kan hij op klei- en veengronden worden aangetroffen. De rugstreeppad is afhankelijk van ondiepe watertjes die snel opwarmen om zijn snoeren af te zetten. Vaak wordt dan ook gebruik gemaakt van tijdelijke poeltjes en plasjes, maar ook van slootjes of vennen maakt hij gebruik. Toch stelt hij nog enige eisen aan zijn voortplantingswater. Het water mag niet zuurder zijn dan 5 pH. Brak water vindt de rugstreeppad niet erg. De kleine watersalamander schijnt weinig eisen te stellen aan zijn biotoop. Het is bij ons de meest voorkomende salamander met een algemene verspreiding. In de paartijd kunnen we hem vinden in vele ondiepe stilstaande plassen en sloten.
We zien deze salamanders geregeld aan het wateroppervlak verschijnen om adem te halen, waarna ze met een sierlijke slag van hun staart weer naar beneden verdwijnen. Buiten de paartijd leven ze op het land en zijn verscholen op vochtige plaatsen. Ze schuwen het licht en de zon. Bij de avondschemering en 's nachts verlaten ze hun schuilplaats en gaan op zoek naar voedsel. In de Alblasserwaard komen we de bruine kikker in verschillende landschappen tegen en is vrij algemeen. Voor de voortplanting gebruiken ze het liefst een watertje met een ondiepe kant en wat lichte plantengroei. Deze omgeving is uitermate geschikt voor de bruine kikker.
Doordat de voortplanting in het vroege voorjaar valt ontwikkelen de larven zich zeer snel, en hebben ze voor hun ontwikkeling geen permanent water nodig. Opvallend is dat de soort zich kan voortplanten in door de landbouw vervuild water en eigenlijk de enige is die zich daarin kan handhaven. Waarin hij zich niet thuis voelt zijn de V-vormige, bijna altijd droge waterlopen in de grootschalige akkerbouwgebieden zonder schuilplekjes van plantengroei. Helaas treffen we deze gebiedjes maar al te vaak aan.
|
|
©Natuur en Vogelwacht de "Alblasserwaard". Webadres: http://www.nvwa.nl |