Verboden toegang
Een verwaaide zaterdagmiddag. Zoals vallende bladeren het décor van een herfstdag zijn, zijn dat vandaag doortrekkende kokmeeuwen. Met tientallen tegelijk komen ze aanwaaien, en opeens zijn ze er. Als overwaaiende bladeren zoeven ze voorbij. Af en toe moet ik mijn ogen inspannen om ze te kunnen zien, zo hoog vliegen ze. Als ik al lopende de trap naar de kijkhut betreed, bemerk ik dat er eindelijk blauwe bordjes staan. Helaas voor de vrijbuiters is de opdruk onverbiddelijk: Verboden toegang. Art. 461 Wetboek van Strafrecht. Hoe lang dat niet heeft geduurd! Jaren van gesteggel zijn eraan vooraf gegaan. Maar nu is er eindelijk gerechtigheid geschied! Zonder vergunning mag de kade van de Overwaard niet meer betreden worden. Het staat nu zwart op wit.
Terwijl ik daar zo sta te turen naar kokmeeuwen, dringt een continue stroom van rauw geschreeuw, geruzie en tweetonig weemoedig geblèr tot me door. Ik weet dat dit rond deze tijd gewoon is. Het zijn de ganzen. Grauwe ganzen, maar ook Canadese ganzen. En die maken nu elkaar het hof, zitten achter elkaar aan en – vooral – maken eindeloos ruzie. Net mensen eigenlijk. Ik zie ze groepsgewijs opvliegen, landen, weer opstijgen, vechten. Ze ploffen neer in het riet, in het water. Wanneer ik de rietkragen afkijk met m’n verrekijker, ontwaar ik ook daar niet anders dan ganzen. Met lichte frustratie – die vogelaars in zulke gevallen nogal eens eigen is – neem ik het gekrakeel waar. De verwaaide ruzies komen jammergenoeg uit de hoek van de wind. Ik word dus gedwongen in staat gesteld eindeloos mee te genieten. Nee, wat mij betreft nemen de taxonomen bij de volgende revisieronde van Latijnse namen van vogels de Nederlandse naam van Grauwe gans ook onder handen. Degradeer ze maar tot Rauwe ganzen, de relschoppers. En mijn voorstel voor de Latijnse vertaling? Anser hooliganii!
Ik moet bekennen dat ik hier niet ben gekomen om naar ganzen te kijken. Eigenlijk ben ik op zoek naar de eerste zingende Blauwborst van het jaar. Als ik me concentreer op het geluid van de wind in het riet, lukt het me om even niet bewust naar de Rauwe ganzen te luisteren. Ik denk me in hoe het geweest moet zijn toen de Rauwe ganzen hier nog niet broeden. Die tijd heb ik niet meegemaakt. Het moet toen stil geweest zijn! Een eenmalig ‘tjiet’-roepje doet me opveren. Daar zul je het hebben! De aarzelende start van de in een waterval van tonen eindigende zang van een Blauwborst. Teleurgesteld kak ik weer in. Helaas, een Witte kwikstaart. In gedachten keer ik telkens terug op dat ideaalbeeld van een Boezem zonder Rauwe ganzen. Dan had ik nu in alle rust naar mijn eerste Blauwborst kunnen luisteren, ondersteund door buurman Rietgors. Ver weg misschien die Waterrallen nog wel gehoord. En boven mijn hoofd baltsende Bruine kiekendieven gezien, én gehoord!
Maar nee, nu geen Blauwborst. Alleen Rauwe ganzen. Terwijl de populatie in het Kinderdijkse jaar in jaar uit gestaag groeit, wil niemand er wat aan doen. Ik weet dat de wettige beheerder, het Waterschap Rivierenland, zich niet wil branden aan deze heikele kwestie. Net als bij de Rauwe ganzen leidt het onderwerp alleen maar tot ruzie. In bedekte termen weliswaar. Terwijl de gevolgen van de veelvretende ganzen steeds duidelijker worden. En terwijl onze Vogelwerkgroep al jarenlang aandringt op maatregelen. Maar een orgaan als het Waterschap is niet te vermurwen. Hoewel: de bordjes met die strenge tekst staan er nu toch wel! En dat wilde het Waterschap eerst ook niet. Ik troost me maar met de gedachte dat ook aan Anser hooliganii, binnen de daarvoor geldende tijd die het Waterschap nodig heeft om aan een verandering te wennen, een grens zal worden gesteld.
Wat mij betreft: Verboden toegang voor ruziemakers!
Anthonie Stip