Een klucht patrijzen

 

Laatst was ik passagier in een trein ergens in midden-Nederland. Al vele malen heb ik dat traject afgelegd, maar nu pas viel mijn oog er ineens op. Tussen het spoor en het aangrenzende bos met Grove Dennen lag over een lengte van vele kilometers een hekwerk. Anderhalve meter hoog schatte ik in. En met een ononderbroken lengte om van te gruwen: met gemak een tiental kilometers. “Is dat nu ons ecologische netwerk, waar we zo trots op zijn?”, dacht ik bij mezelf. “Het is allemaal in stukjes opgedeeld, doordat wij er zoveel hekken, wegen en andere verbindingen tussen leggen!”

 

Het lijkt allemaal zo geweldig: ecologische zones die belangrijke natuurgebieden met elkaar verbinden. Maar direct komt er een vraag in je op. Hoe verbind je op een ecologische manier? En wat zien we dan als ecologisch? Misschien is deze vraag wel het pijnpunt van de hele Ecologische Hoofdstructuur. Ambtenaren in Den Haag weten het zo mooi te brengen in hun PR-krantjes. Ze hebben weer vijf hectare ‘nieuwe natuur’ verworven, wat natuurlijk onderdeel wordt van de Ecologische Hoofdstructuur. Iedereen weer tevreden gesteld, niemand die er naar taalt. Behalve de paar medewerkers van de Europese overheid, die om de zoveel jaar willen weten wat de kwaliteit van die natuur is. Maar of er iemand ooit nadenkt over een inrichting die past in de streek, in de bestaande natuur, in wat wij nu als Nederlanders als natuur zien? Ik betwijfel het. Waar die nieuwe natuur veelal mee wordt ingevuld, haalt het bij lange na niet in kwaliteit in vergelijking met ‘echte’ natuurgebieden. Het is overduidelijk dat de ‘nieuwe natuurgebiedjes’ het thuis gaan vormen voor soorten die overal al voorkomen, de zogenoemde generalisten. De specialisten, kieskeurig als ze zijn, delven steeds meer het onderspit. Loop de Nederlandse Rode Lijsten van alle soortgroepen maar eens na: in veel gevallen is het een specialist die al enkele decennia een populatieomvang in de rode cijfers heeft.

 

Terug bij het verbinden. Weten we waarom we ecologische verbindingszones aanleggen? Het is cruciaal om die vraag te stellen! In de Ecologische Hoofdstructuur worden verbindingszones aangelegd om grote aaneengesloten natuurgebieden met elkaar te verbinden, en zo uitwisseling tussen dierpopulaties in beide gebieden mogelijk te maken. Realiseer echter wel dat veel soorten waar wij zo zuinig op zijn, niets aan die verbinding hebben. Specialistische soorten hebben paradoxaal genoeg nogal eens het kenmerk dat ze zich slechts over korte afstanden verspreiden kunnen. Voor veel vlindersoorten is bijvoorbeeld een geschikt leefgebied op tien kilometer afstand van hun huidige leefgebied een plaats waar ze nooit zullen komen, generaties lang. Soorten die wel dankbaar gebruik maken van de Ecologische hoofdstructuur zijn de grazers: Ree, Edelhert, Wild zwijn, en ook de Vos (hoewel dat geen grazer is). Met als gevolg dat ecosystemen die nooit aan hoge begrazingsdruk blootgesteld zijn, dat nu opeens wel worden. Denk aan bepaalde bostypen. Begrazing heeft een heel grote invloed op een ecosysteem. Het hele soortenspectrum kan hierdoor verschuiven, waardoor sommige specialisten (planten, insecten, vlinders, vogels) het veld moeten ruimen. En in veel gevallen nog zeldzamer worden dan ze al waren.

 

Ik durf hier de stelling te poneren dat de huidige Ecologische Hoofdstructuur ertoe leidt dat we in Nederland steeds meer van dezelfde natuur krijgen. Dat hoeft geen enkel probleem te zijn, als we dat met z’n allen willen. Ik betwijfel echter of dat het geval is. Juist het eeuwenlang ingrijpen van de mens in de natuur van de Lage Landen, heeft de enorme soortenrijkdom die we nu kennen, veroorzaakt. En willen we dat weer kwijt door overal een beetje van dezelfde natuur te creëren of te beheren? Ik ben daar niet gelukkig mee. Mijn boodschap is dan ook: ‘ontwikkel’ de nieuwe natuur op een streekgebonden wijze, met aandacht voor het eigene van de streek. En breng van te voren goed in kaart wat de gevolgen zijn van een verbinding die aangelegd wordt. Want ecologisch verbinden is mooi, maar ecologisch verrijken nog veel meer.

 

De Alblasserwaard lijkt in dit hele verhaal buiten de boot te blijven. Niets is echter minder waar! Ook bij ons dient op termijn een ecologische verbindingszone aangelegd te worden, dwars door de Waard. De ‘Groene Ruggengraat’ heet dat netwerk euforisch. Helemaal vanuit het Lauwersmeer, tot aan de Biesbosch, moet de natuur met elkaar verbonden worden. Hoe dat moet gebeuren, is nu op veel plaatsen in het land nog onbekend. In 2018 moet de klus geklaard zijn. De kansen in de Alblasserwaard liggen op het vlak van de inrichting. Maak van die Groene Ruggengraat wat mijn part bloemrijk hooiland, in combinatie met rietmoeras, zeggenvegetaties en helder water met krabbenscheer. Of blauwgrasland, zoals nu al ingericht wordt bij De Donk. Zo behouden we het streekeigene, horen we de patrijzen weer krakerig roepen en zien we de Spaanse ruiters weer bloeien. Als we dan toch ecologisch willen verbinden, laten we er ons dan bewust van zijn hoe we dat doen, om ‘verkeerd verbinden’ te voorkomen. In mijn ogen is de rol van de Natuur- en Vogelwacht het waken voor een streekeigen inrichting van de Groene Ruggengraat in de Alblasserwaard. Gelukkig kunnen we ons rijk rekenen met een actieve groep planologen, die ervoor waken dat dit gebeurt. Maar daar blijft het niet bij. Een ieders inzet is nodig om de Alblasserwaard, Alblasserwaard te houden. Onder het motto ‘Ecologisch verbinden is mooi, maar ecologisch verrijken nog veel meer!’.

 

Een klucht patrijzen. Als we die weer zien, gaan we de goede kant op.