|
|
|
Inleiding De kerkuil is een soort die over een groot deel van de aarde gevonden wordt. Alleen de slechtvalk kent een groter verspreidingsgebied. In het verspreidingsgebied (her)kent men 34 geografische vormen. In Europa komen 3 sub-species voor. De bij ons voorkomende is de Tyto alba guttata.Net als bij alle andere uilen staan de ogen vast in de kop en zijn ze ver naar voren geplaatst waardoor ze binoculair kunnen kijken wat bij het vangen van prooien erg handig is. Om rond te kunnen moeten ze echter hun nekspieren veelvuldig gebruiken, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de watersnip die een gezichtsveld heeft van bijna 360 graden. Vanzelf hebben ook kerkuilen goede oren die, verborgen achter een krans van veertjes, vlak achter de oren liggen. Om zo stil mogelijk te kunnen vliegen zit er aan de veerranden van de slagpennen een fluweelachtig soort dons en verder heeft de kerkuil grote vleugels waardoor het gewicht van de uil verdeeld wordt over een relatief groot oppervlak. De balts van de kerkuil is al vroeg in het jaar en is mede afhankelijk van het voedselaanbod. Bij een hoog prooiaanbod begint de balts eerder dan bij weinig prooidieren. De zang is niet meer dan een ijselijk gegil wat op grote afstanden hoorbaar is. Het blazen wordt veel vaker gehoord en gebeurd zowel door de oude vogels als ook door de, bedelende, jongen. De broedplaatsen zijn zeer uitgebreid, voorwaarde is eigenlijk alleen dat het er erg rustig is en donker. We kunnen ze vinden in boerderijen, kerken, kastelen, molens, verlaten gebouwen, duiventillen, en zelfs in holle bomen. Net als bij de andere uilen begint het wijfje direct na het eerste ei te broeden. Gevolg is wel dat als er een stuk of vijf eieren gelegd worden het eerste jong stukken groter is dan het laatste dat uit het ei kruipt. De tussenpozen van het leggen wisselt ook nogal, van 1 tot 5 dagen. Het aantal eieren varieert van 4 tot 7 stuks. In muizenrijke jaren wordt wel tweemaal gebroed en het tweede legsel is dan vaak groter dan het eerste. Alleen het wijfje broedt gedurende de ongeveer 30 dagen durende broedperiode. Het mannetje zorgt er dan voor dat er muizen op de plank komen. De jongen vliegen na ongeveer 10 weken uit. De prooidieren die gevangen worden zijn voor een deel afhankelijk van de omgeving en het aanbod op dat moment. De belangrijkste prooidieren zijn: veldmuis, bosspitsmuis, huisspitsmuis, bosmuis, aardmuis, en huismuis. Maar ook dieren als vleermuizen, ratten, mollen, vogels worden gevangen. Voorkomen in de Alblasserwaard Om in de Alblasserwaard een broedpopulatie op te bouwen zullen we vogels van elders moeten krijgen. Nu staan kerkuilen bekend als echte standvogels maar uit ringonderzoek blijkt dat er ook behoorlijke verplaatsingen kunnen zijn. Het zijn vooral de jonge vogels die weg zwerven, maar ook oude vogels zoeken wel eens elders hun geluk. Deze verplaatsingen worden vooral veroorzaakt door de voedselsituatie en dan met name het aanbod van veldmuizen. Het zal duidelijk zijn dat in een jaar met veel veldmuizen er meer dispersie zal zijn dan in magere jaren. Een bepaalde richting is niet uit de ringgegevens op te maken. Vanzelf worden de meeste vogels uit eigen land teruggemeld maar ook uit Duitsland, België en Frankrijk worden vogels teruggemeld. Het grootste deel van de jonge vogels wordt binnen een straal van 30 km teruggemeld. Daar er in de ons omringende gebieden nog maar heel weinig of helemaal geen kerkuilen broeden, kan het nog wel even duren voor er weer een behoorlijke populatie in de Alblasserwaard is opgebouwd. Waarnemingen Het aantal waarnemingen dat in het archief van de werkgroep is opgeslagen is zeer beperkt. Het blijkt dat niet iedereen zijn waarnemingen heeft doorgestuurd dus hopelijk komen er op deze publicatie dan ook nog de nodige aanvullingen waarvoor wij u bij deze hartelijk dank zeggen. U kunt deze mailen naar: Kerkuil@nvwa.nl Net als in de rest van het land kwam de kerkuil voor 1963 over heel de Alblasserwaard verspreid voor, zij het in lage aantallen. Van de volgende plaatsen zijn hierover gegevens bekend: Alblasserdam (oude toren begraafplaats), Nieuwpoort (in een boerderij), Oud Alblas (in vervallen molen), Streefkerk (toren Ned.Herv. kerk), Giessenburg (zolder boerderij), Hardinxveld-Giessendam, Papendrecht (in 1961 in een rietschelf). In de jaren zeventig werden de volgende waarnemingen gedaan: winter '73 2 exemplaren in een oude boerderij bij Ameide. Nieuw-Lekkerland, zomer '72 een exemplaar bij een molen van de Overwaard. Streefkerk, een roepend exemplaar in polder Langebroek in april '71. In maart '75 in Arkel en in '75 een vliegend exemplaar boven een weiland aan het Westeind van Wijngaarden. Als laatste op 10 oktober '76 een exemplaar bij de Bovenkerkse tiendweg te Giessenburg.Uit de jaren tachtig maar twee waarnemingen namelijk januari '86 toren Bleskensgraaf en januari '89 polder Streefkerk. Voor de jaren '90 werden tot nu toe de volgende waarnemingen doorgegeven: maart '96 werd een dood exemplaar gevonden in Nieuw-Lekkerland en in datzelfde jaar vond een broedgeval plaats in Schelluinen. In 1998 kon er weer een broedgeval in het oosten van de waard genoteerd worden.. bij deze laatste broedplaats was het mogelijk braakballen te verzamelen die door leden van de zoogdierenwerkgroep zijn uitgepluisd. Dit laatste verschaft ons inzicht in de voedselkeuze van de kerkuil in onze polder. In 1999 hebben er twee paren in het oosten van de Alblasserwaard gebroed. Helaas zijn er ook meldingen binnengekomen van twee verkeersslachtoffers bij de kruisingen van de provinciale wegen ter hoogte van Giessenburg. In 2000 waren er drie broedparen in ons gebied. Helaas in het jaar 2001 was er slechts één broedpaar. Op 27 juli 2004 zijn er ergens in de Alblasserwaard zeven kerkuilen geringd. Het betreft hier een zestal jongen en één van de ouders. Sinds 1998 zijn er inmiddels zo'n 17 geringde kerkuilen geringd in onze regio. In 2004 werden er op 12 verschillende plaatsen kerkuilen waargenomen in de Alblasserwaard. Er waren acht zekere broedgevallen met maar liefst in totaal minstens 21 uitgevlogen jongen. Onderzoek In de achterliggende periode zijn ongeveer 90 braakballen onderzocht. Het gemiddelde aantal muizen per braakbal is ongeveer 2,5. De braakballen van de kerkuil zijn van een flink formaat. De gemiddelde lengte is 4,7 cm en de dikte bedraagt 2,1 cm. tweemaal is een braakbal gevonden met 5 muizen. In enkele kleine braakballen zat slechts 1 muis. De hoofdmoot bestaat uit veldmuizen (90%). Andere soorten die werden aangetroffen zijn: aardmuis 4 ex., ondergrondse woelmuis 1 ex., woelrat 2 ex.. al deze soorten behoren tot de woelmuizen. Van de ware muizen werd de bosmuis vier maal aangetroffen. In de groep spitsmuizen werden de volgende soorten gevonden: huisspitsmuis(5 ex.), bosspitsmuis (7 ex.) en dwergspitsmuis 1 exemplaar. Indien u meer informatie wilt over het kerkuilenproject van onze vereniging of zelf nestkasten wilt plaatsen, kunt u via eerder genoemt e-mailadres contact met ons opnemen.
|
|
©Natuur en Vogelwacht de "Alblasserwaard". Webadres: http://www.nvwa.nl |