Alblasserwaard in kaart Het landschap van de Alblasserwaard is in de loop der eeuwen drastisch
veranderd. De ingrepen van de mens laten diepe sporen achter in de vorm van sloten, wegen
en dijken. Om wegwijs te worden in een gebied worden allerlei kaarten gemaakt, die een
aantal elementen in het landschap weergeven. In figuur I wordt schematisch een beeld
gegeven van de situatie van grote wateren en dijken rond 1300.
Wielen Wielen zijn vaak diepe plassen gelegen aan een dijk en ontstaan door een
plaatselijke dijkdoorbraak. In een aantal gevallen werden deze plassen snel weer gedempt,
zoals bijvoorbeeld in Papendrecht na de dijkdoorbraak in 1953. Meestal werd echter alleen
het gat in de dijk gedicht, buiten het wiel, waardoor de dijkwegen nog bochtiger werden.
In de Alblasserwaard zijn zeker 30 wielen zo te herkennen. Ook op plaatsen midden in de
waard waar we ze niet direct zouden verwachten, zoals bijvoorbeeld ten noorden van de
Zijdebrug. In het landschap herkennen we hier niet duidelijk de aanwezigheid van een dijk,
maar door de aanwezigheid van op wielen gelijkende plassen, vermoeden we toch dat die er
geweest moet zijn. Uit fig I blijkt dat rond 1300 de westelijke dijk van de Alblasserwaard
ongeveer in deze omgeving moet hebben gelegen, waarmee het ontstaan van wielen ter plaatse
is verklaard. Bij dijkdoorbraken kolkt het water met grote kracht het achterliggende land
in, hierdoor ontstaat achter de dijk een diep gat, het wiel. Het bodemmateriaal afkomstig
uit dit gat wordt verspreid over de omliggende grond waardoor de zogenaamde
overslaggronden ontstaan. Deze worden gebruikt voor tuinbouw of fruitteelt, maar ook voor
de oprukkende woningbouw. De wielen zelf worden voor verschillende doeleinden gebruikt,
onder andere voor recreatie of hengelsport. Een voorbeeld hiervan is het Lammetjeswiel te
Alblasserdam, dat gedeeltelijk als openluchtzwembad is ingericht. De oever is plaatselijk
met zand bedekt en daardoor ook minder steil gemaakt. Het omliggende gebied wordt
ingericht voor andere recreatieve activiteiten. In Papendrecht rond het Noordhoekse wiel
aan de Hogedijk is een park gemaakt. Een deel van het gebied wordt gebruikt om te wandelen
of te trimmen. In een groot gedeelte van het park is het patroon van ontginning nog te
herkennen. De Achterdijk die dit gebied doorsnijdt was de scheiding tussen ontginning
vanuit het noorden en het zuiden. De sloten maken bij de Achterdijk daarom een
verschillende hoek. Soms worden wielen gebruikt als eendenkooi, voorbeelden hiervan zijn
te vinden in de omgeving van Ameide. Door dit oude gebruik op beperkte schaal te handhaven
kan hiermee de natuur- en cultuurwaarde van deze wielen worden gegarandeerd. De
natuurlijke waarde van wielen kan worden bedreigd door onder andere demping, opnemen van
het wiel in een singelsysteem binnen woongebieden, lozingen van afvalwater en door te
intensief gebruik voor recreatie als zwemwater. Door de aanleg van rioleringssystemen is
de rol van afvalwater als bedreiging sterk terug gedrongen. De overige bedreigingen zullen
echter in de toekomst nog de nodige aandacht van natuurbeschermers vragen.
Donken Dit zijn overblijfselen van rivierduinen die in droge perioden ontstonden
uit verstoven zand van drooggevallen rivierbeddingen. Het hoogteverschil dat we nu zien,
is een gevolg van het inklinken van het omringende land. Door de steeds voortgaande
ontwatering van het veen, gaat de vertering van het veen door en blijft het maaiveld
dalen. Door de vaste zandige ondergrond en de hoge ligging waren donken geschikt voor
vroege bewoning. Een aantal donken heeft dan ook een rijke historie. De Hazendonk ten
zuiden van Molenaarsgraaf heeft door het archeologisch onderzoek internationale bekendheid
gekregen. Uit dit onderzoek bleek dat reeds ongeveer 3000 jaar voor Christus de
Alblasserwaard menselijke bewoners had, die gelet op het gevonden aardewerk in een aparte
cultuur zijn ingedeeld. Ook de Brandwijkse donk kent een rijk historie. Deze donk steekt
ruim 6 m uit boven het omringende land. Zeker is dat reeds in de 14e eeuw hier mensen
woonden en dat in de 15e eeuw hier een klooster werd gebouwd. Ook nu nog is de donk
bewoond. Staatsbosbeheer is tegenwoordig eigenaar van dit gebied. Het dorp Hoogblokland is
ook ontstaan op een daar aanwezige donk. Naast de cultuurhistorische waarde hebben de
donken ook een bijzondere waarde voor de natuurlijke variatie in de Alblasserwaard. Deze
donken bestaan uit zand dat op andere plaatsen in de waard niet aan de oppervlakte komt.
Ook liggen de donken hoger dan het omringende land waardoor ze droger zijn. Door deze
verschillen is de variatie van met name planten bijzonder groot, waarbij ook nog weer
verschil is te zien tussen de noordelijke en zuidelijke helling. Er komen op de donken dus
planten voor die elders in de waard niet zijn te vinden. De grootste bedreiging van de
donken is afgraving, waardoor de typische levensgemeenschappen van dit landschapselement
verloren gaan of ernstig worden aangetast. De hellingen van de Schoonenburgsche heuvel
zijn glooiend gemaakt waardoor een intensiever agrarisch gebruik mogelijk wordt, hetgeen
een verarming kan betekenen van de rijkdom aan plantensoorten. De donken ten zuiden van
Ottoland, Noordeloos en Hoornaar zijn echter geheel verdwenen als gevolg van de
zandwinning ten behoeve van de wegenbouw in de Alblasserwaard. Waar vroeger deze donken
waren, vinden we grote diepe plassen, die nu voor recreatieve doeleinden worden gebruikt
zoals vissen en zwemmen. Hiermee is een ernstige verarming in de Waard opgetreden. Deze
kunstmatige plassen zijn echter ook weer specifieke elementen in het landschap door het
bijzondere karakter en de bodemgesteldheid van de oevers. Deze bevorderen het ontstaan van
een gevarieerde boeiende levensgemeenschap in het water. Op hun beurt worden deze plassen
echter weer bedreigd door te intensieve recreatie en op een aantal plaatsen door de
samenstelling van het grondwater.
Water en bodem Alblasserwaard Het gebied van de Alblasserwaard is ontstaan onder invloed van de grote
rivieren zoals de Rijn en de Maas die niet altijd even duidelijk gescheiden hebben
gestroomd als nu. Het woordje "waard" betekent onder andere laaggelegen gebied
tussen rivieren. De Alblasserwaard is dus het gebied rond de Alblas die reeds zeer oud is.
In de beddingen van de grote rivieren en langs de oevers werd in het water aanwezig
bodemmateriaal afgezet, waardoor deze hoger kwamen te liggen. Gebieden die tussen
rivierarmen lagen werden relatief laag en daardoor drassig en nat. In deze kommen
ontstonden moerassen, hiermee begon de veenvorming. De afgestorven planten verteerden
namelijk niet helemaal in het zuurstofarme water. Er ontwikkelden zich speciale
levensgemeenschappen waarvan ook bossen en elzen en wilgen deel uitmaakten. Op iets hoger
gelegen zandige gebieden groeiden zelfs eiken die nu, als er tot een diepte van ongeveer 4
meter wordt gegraven, nog als prachtige west-oost gelegen stammen zijn te vinden. Maar in
die tijd traden de rivieren bijzonder vaak buiten hun oevers en overstroomden de tussen de
rivieren gelegen lage gebieden. In dat water zweefden nog slibdeeltjes die nu het water in
de kommen nauwelijks stroomde, ter plaatse zonken en bleven liggen.
Zo ontstond het beeld van figuur 2. De loop van de rivieren veranderde nogal eens
waardoor ook vroegere rivierbeddingen en de oevergronden verdwenen onder een veenlaag. Ook
de schommelingen in de zeespiegel waren van invloed op de ontwikkelingen in de
Alblasserwaard. Vooral in het westen werd het gebied doorsneden door kreken waarin het
waterpeil steeds varieerde door de eb- en vloedwerking. Het ontstaan van de bodem van de
waard is dus onlosmakelijk verbonden met het water, de zee vanuit het westen en de
rivieren vanuit het oosten. Al deze invloeden zijn in de bodem nu nog te vinden. Als op
verschillende plaatsen grondboringen worden uitgevoerd zijn de verschillen vaak op kleine
afstanden reeds bijzonder groot (figuur 3).
Zo kan een boring een veenpakket aantonen met daarin een aantal komkleilagen, maar ook,
vooral rond de oude kreken, lagen van zeeklei. Op een andere plaats zou een vroegere
rivierbedding kunnen worden aangeboord met zandig materiaal. Ook is het veenpakket soms
nog zout zoals ten westen van Giessen-Oudekerk. Hieruit blijkt dat bij de vorming de zee
een rol heeft gespeeld. De donken als restanten van oude rivierduinen hebben we reeds
beschouwd. Dat de veenstromen en de kreken soms als meanderende rivieren het landschap
doorkruisen zien we in Giessenburg, Alblasserdam en Oud Alblas. Op die plaatsen waar het
begin van de lussen werd verbonden, ontstonden (schier-)eilandjes die Nes of Nesse worden
genoemd. In de Alblas wordt dit gebied gebruikt voor akkerbouw die voor het overige in de
waard schaars is. De Nes in de Giessen is een natuurgebiedje dat extensief wordt gebruikt
als hooiland. Door al die kreken, rivierarmen en veenstromen was het gebied bijzonder
ontoegankelijk. Door de moerassen en bossen werd betreding nog moeilijker en gevaarlijker.
Het geringe aantal bewoners in die vroege tijden vestigden zich op de hoger gelegen
stroomruggen langs de oevers van de wateren en op de donken. Vanuit die hoger gelegen
delen werd later ook de ontginning gestart, want één van de grootste bedreigingen van de
eerste ontginners was en bleef het water. De strijd hiertegen werd aangebonden door het
aanleggen van kaden en dijken. In 1277 werd de eerste dijk onder toezicht gesteld van een
algemeen bestuur. Voor die tijd moest iedere eigenaar zijn eigen dijk onderhouden, zonder
dat daarop met een oog van algemeen belang op werd toegezien. Dit leidde uiteraard tot
grote verschillen in onderhoud en vaak zullen mensen die hun taak goed hadden uitgevoerd
de dupe zijn geworden van minder actieve onderhoudsplichtigen. De ligging van de dijk in
1277 blijkt uit figuur l,. Het westelijk deel lag veel oostelijker dan nu. Voor de
afwatering in die tijd was men aangewezen op de veenstromen die rechtstreeks in verbinding
stonden met de rivieren. Hoog water vanuit zee en een grote aanvoer vanuit het oosten
bedreigden de dijken en het achterliggende land. Door de ontwikkeling van beter bestuur en
technische ontwikkelingen in dijkbouw en aanleg van sluizen wordt de waterkering van hoger
kwaliteit. Door de aanleg van nieuwe dijken werden de rivieren teruggedrongen in een
steeds kleiner stroombed. Steeds meer uiterwaarden werden ingedijkt tot nieuwe polders.
Bij de ontginning van de oude veengebieden moest ook een goede afvoer van het overtollige
water worden geregeld. Er werden sloten en weteringen gegraven waardoor de afwatering naar
de veenstromen sneller kon plaatsvinden. Door de betere ontwatering begon het maaiveld
echter te dalen. Dit proces wordt veroorzaakt doordat de bodem inklinkt als er water wordt
onttrokken met name aan veengrond. Een ander belangrijk proces is de vertering van het
veen bij ontwatering. Door het verdwijnen van water kan namelijk meer zuurstof in de bodem
binnendringen. Hierdoor verteert het veen dat immers niets anders is dan afgestorven
plantaardig materiaal. De daling van het maaiveld zal daarom na een bepaalde periode weer
de behoefte doen ontstaan aan een verdere ontwatering. Eerst was men altijd nog
afhankelijk van lage waterstanden op de rivier om water te kunnen lozen. In de 15e eeuw
werd begonnen met de toepassing van polderbemaling, waarbij men toen afhankelijk was van
de wind voor de aandrijving van de watermolens. Vanaf die tijd was er dan ook een
onderscheid tussen polder- en boezemwateren. De polderwateren regelden de waterhuishouding
in het agrarisch gebied, de boezemwateren fungeerden als waterbergingsgebied in perioden
met een hoge rivierwaterstand. Er is na de verbetering van de bemaling later nog weer
onderscheid gemaakt tussen hoge en lage boezemgebieden. Dit resulteerde in de bouw van de
voormolens te Kinderdijk waar mee de Lage boezems van de Nederwaard en Over waard werden
bemalen op de respectievelijke Hoge boezems. Door de bouw van deze molens in de 18e eeuw
kreeg de Alblasserwaard internationale bekendheid. Ook andere gebieden in de waard kenden
of kennen een hoge boezem, bijvoorbeeld Papendrecht en Nieuw-Lekkerland. De hoge
boezemgebieden zijn van grote natuurwetenschappelijke waarde door de grote variatie in
levensgemeenschappen in die gebieden. Op de grens van water en land ontwikkelden zich
namelijk zogenaamde verlandingsvegetaties met riet, lisdodde, biezen en waterlelie alsmede
gele plomp. Het zeer zeldzame melkviooltje komt hier ook voor. Door de grote variatie in
waterdiepte komen ook hierin veel levensgemeenschappen voor. Voorheen vonden op de Hoge
Boezem van de Nederwaard lozingen van afvalwater plaats. Nu die echter zijn gesaneerd, mag
worden verwacht dat het gebied nog aan rijkdom zal winnen. Door de verdere uitbreiding van
de bemalingcapaciteit is de functie voor de waterhuishouding afgenomen. Voor de
natuurwaarde van de Alblasserwaard blijven het echter zeer waardevolle gebieden die
karakteristiek zijn maar ook internationaal uniek en die daarom een hoge mate van
bescherming zeker waard zijn. Ook de overige boezemwateren en het water in de poldersloten
werden verontreinigd door de lozing van ongezuiverd afvalwater vanuit de bebouwing in de
polder. De zuurstofvoorziening in het water wordt daardoor negatief beïnvloed, dieren die
veel zuurstof nodig hebben vinden hier dus onvoldoende levenskansen. Een andere bedreiging
van het leven in de polderwateren is een grote hoeveelheid bagger in de sloten waardoor er
onvoldoende water aanwezig is, weinig zuurstof beschikbaar komt, en het ammoniakgehalte
soms zeer hoog kan oplopen. Een ander min of meer natuurlijk verschijnsel dat ook in de
Alblasserwaard invloed heeft op de bodem en het water is "Kwel". Onder kwel
verstaan we hier dat water uit de rivieren via een bodemlaag naar het binnendijks gelegen
gebied stoomt en daar omhoog komt, opkwelt. Dit water is vaak zeer arm aan zuurstof en
bevat veel ammoniak en ijzer. Op de plaatsen waar kwel optreedt, is het water bruin
gekleurd en troebel. De mate waarin kwel optreedt, hangt onder andere af van de waterstand
in de rivier en in de polder. In de winter zijn de kwelplaatsen goed te herkennen omdat
ijsvorming hier achterwege blijft of pas laat plaatsvindt. Bepaalde planten zoals onder
andere waterviolier zijn op deze plaatsen vaak te vinden. Door de genoemde eigenschappen
van kwelwater is de op deze plaatsen aanwezige levensgemeenschap nogal soortenarm,
waardoor kwel wordt gezien als een negatieve factor. Binnen de Alblasserwaard zijn een
aantal terreinen momenteel in beheer bij Staatsbosbeheer die door extensief agrarisch
gebruik zal proberen de natuurlijke rijkdom zoveel mogelijk terug te krijgen. Deze
gebieden liggen in de omgeving van de Zijdebrug ten noorden van Oud-Alblas en langs de
Giessen en Smoutjesvliet. Ook een aantal uiterwaarden worden als natuurterrein beheerd
waaronder de Polder de Dordtse Avelingen.
Verkaveling Bij de ontginning van het gebied rond de 12 en 13e eeuw is onder barre
omstandigheden veel werk verzet. De grond die in eigendom was van met name de Hollandse
adel werd uitgegeven in stukken van gelijke grootte, te beginnen vanuit een hoger gelegen
strook. Op deze stroken werden de woningen en bedrijfsgebouwen opgetrokken. De uitgegeven
stukken grond, ook wel slagen genoemd, werden omgeven door sloten om de ontwatering te
bevorderen. Als de slagen te lang werden, groef men dwarsweteringen en zodra het aantal
sloten heel groot werd, werden vlieten gegraven die ook evenwijdig met de percelen grond
liepen. Het uitgeven van percelen van gelijke grootte gebeurde nauwgezet. Deze
ontwikkeling van bedrijven met lange smalle percelen veroorzaakte een verschil in de
bedrijfsvoering per perceel. De gedeelten grenzend aan de bedrijven werden intensiever
bemest dan de verder gelegen gedeelten. Met name voordat de kunst meststoffen waren
geïntroduceerd. Ook werden deze percelen intensiever beweid in verband met de
gemakkelijke bereikbaarheid. Op deze verschillen in bedrijfsvoering reageerde ook de
natuur. De ver van de bedrijven gelegen delen waren armer aan voedingsstoffen en werden
vooral gehooid. Hierdoor ontstond er een levensgemeenschap die bij zonder soortenrijk was
en daarom van grote natuurwaarde. In de loop der tijd veranderde deze situatie met name
door de opkomst van het gebruik van kunstmeststoffen en de daarmee gepaard gaande
intensivering van de bedrijfsvoering. Ook werden door verkoop van percelen de bedrijven
vergroot. Deze handel in grond veroorzaakte ook dat steeds meer percelen verder van de
bedrijven kwamen te liggen. Ook werd de lengte van de percelen steeds meer als een
negatieve factor voor de bedrijfsvoering ervaren, in verband met de slechte bereikbaarheid
van bepaalde kavels. Bovengenoemde redenen werden aangevoerd voor de uitvoering van een
grootscheepse ruilverkaveling. In dit kader zijn meer wegen aangelegd en kavels werden
geruild om de bedrijfspercelen zoveel mogelijk aansluitend te krijgen. Teneinde ook de
gebouwen dicht bij de percelen te krijgen, werden veel nieuwe boerderijen gebouwd aan de
zogenaamde ontsluitingswegen. Voor natuur en landschap hebben deze ontwikkelingen een
aantal negatieve gevolgen. De gebouwen liggen nu centraal van de percelen waardoor het
fenomeen hooiland is verdwenen en dus ook het weidegebied met de bijzondere variatie aan
soorten planten en dieren. De ontsluitingswegen doorsnijden nu gebieden die voorheen een
aaneengesloten gebied vormden. Deze scheiding is met name voor de vogels een verstoring
van hun broedgebieden waar nu het verkeer toegang heeft en ook slachtoffers maakt. Door de
ruilverkaveling is ook de bedrijfsgrootte toegenomen en de veehouderij geïntensiveerd.
Naast de uitbreiding van het wegennet zal ook de waterhuishouding worden gewijzigd door
het invoeren van lagere waterstanden in de polder op grond van wijzigingen van
Peilbesluiten. Er mag echter in bepaalde opzichten ook een verbetering worden verwacht
door de uitvoering van de ruilverkaveling in de Alblasserwaard. De oorspronkelijke
natuurgebiedjes hebben nu ook een zodanige status gekregen dat er bij de ontwikkeling van
het beleid meer rekening mee dient te worden gehouden. Ook is getracht de kleine
geïsoleerd gelegen gebieden samen te voegen tot grotere beter te beschermen eenheden. In
dit verband kan het gebied rond de Zijdebrug worden genoemd.
Conclusie De Alblasserwaard kende in het verre verleden reeds een zeer rijke
natuurlijke variatie aan levensgemeenschappen door de invloed van de zee en de grote
rivieren. De bewoning van het gebied was eerst zeer gering, maar door de eeuwen heen is
ook dit gebied in bezit genomen door de mensen. De invloed van het menselijk ingrijpen was
in eerste instantie niet overal verarmend maar soms zelfs verrijkend. In de 20e eeuw
echter zijn de ontwikkelingen zeer snel gegaan en hebben een verarming veroorzaakt van de
natuurlijke rijkdom van het gebied. Gelukkig valt te constateren dat de bewoners van dit
mooie gebied oog krijgen voor bedreigingen van de natuur en dat er wordt gewerkt aan
verbeteringen van de levenskansen voor bepaalde organismen. Er moet echter nog veel
gebeuren, door agrariërs moet worden geprobeerd zoveel mogelijk de natuur te ontzien,
omdat dit ook in hun eigen voordeel zal blijken te zijn. Door bestuurders van provincie en
gemeenten moet worden geprobeerd de bevolkingsdruk op het hart van de waard niet te laten
stijgen en het natuur- en milieubesef te stimuleren. Ook andere overheden, die belast zijn
met de behartiging van milieubelangen zullen er op moeten toezien dat de kwaliteit van het
oppervlaktewater de bodem en de lucht verder zal verbeteren opdat een komende generatie
zal kunnen genieten van zoveel natuur, ook dicht bij het stedelijk huis.