|
|
|
Inleiding (top pagina ↑) "DE NATUUR IS ALTIJD IN BEWEGING". Dat is onze slogan. In 1998 is er contact gezocht door Henk de Groot, van de Zoogdierenwerkgroep, met SBB inzake het plaatsen van een vleermuisonderkomen op het perceel. Tijdens het Convenant overleg werden gelden beschikbaar gesteld voor projecten. Op korte termijn werd door Theo de Gelder en Leen den Ouden een plan samengesteld voor het inrichten van een educatieve tuin. Dit project ging niet door. Wij kregen echter van de Provincie een partiële subsidie voor het opzetten van deze tuin. Wij hebben het oorspronkelijke plan een aantal malen moeten wijzigen. De tuin is nu ingericht en wij zijn ons bewust dat wij continue wijzigingen aan zullen blijven brengen immers: "DE NATUUR IS ALTIJD IN BEWEGING". Wij hebben een plattegrond opgenomen waarin de nummers zijn vermeld. Als u de kaart wilt raadplegen klikt u hier Als het centrum open is kan je je ontdekkingen, in de tuin, vermelden in de "ontdek" map. Hierin het nummer van de plattegrond aangeven, zodat ook andere "onderzoekers" dit kunnen zien. Deze tuin wordt door onze vrijwilligers en door de verstandelijk gehandicapten van de Merwebolder uit Sliedrecht onderhouden. De openingstijden van het centrum zijn van april tot en met september maandag tot en met zaterdag van 10.00 tot 17.00 uur. De rest van het jaar alleen op woensdagmiddag en zaterdag. In het centrum is gratis een flyer van de tuin te verkrijgen bij de beheerder. Leen den Ouden 2004 Tel: 078-6153280 Historie Wij hebben in de tuin naast natuurelementen vooral aandacht besteed aan de landschapselementen van de Alblasserwaard. Dat zijn onze roots! In 1300 was er honger in de steden van Holland en Utrecht. De Graaf van Holland en de Bisschop besloten hiervoor het moerasbos van de Alblasserwaard te laten ontginnen. Zij kwamen in contact met boeren, vooral uit Friesland. Ze kwamen overeen dat de boeren het land in eigendom kregen, tegen een jaarlijkse belasting (tienden). Dit waren de eerste vrije boeren van Nederland! Langs de rivieren en veenstroompjes werden om de ca. 50 meter sloten gegraven, haaks op de rivier, het moeras in om het water af te voeren. Om de boerderij van hout en riet, stond erfbeplanting (10), notenbomen (30), composthoop (3), schuurtjes (12) en hoogstamfruitboomgaard (33) en moestuin. Hierachter was het weidje (5). Verderop werd het te nat en kon niet bemest worden. Hier lag het hooiland (2), dat overging in terrasoever (1). Nog dieper het land in kon alleen maar een griend (11) worden gepoot. Waar haast geen land meer was werd een eendenkooi (25) gesticht. Op deze wijze is de Waard ontgonnen, dus 0% natuur. Wel bleef er noodgedwongen een weelderige cultuur-natuur over van hooiland tot eendenkooi, dit was 2/3 van de Alblasserwaard. Daarnaast waren er de volgende elementen: Tiendwegen (21), Wielen (25), Donken (26), Pestbosjes (7), Knotwilgen (22). Naast de tuin is een wetering, die het water afvoert op de boezem van Kinderdijk, waar het water wordt uitgemalen. De twee problemen de bemesting en het water zijn de laatste 50 tot 100 jaar opgelost. Bemesting door kunstmest en water door grote gemalen. Het weiland is tot 100% uitgebreid. Van de cultuur-natuur zijn nog enkele snippers over, maar ze zijn er nog. Wij hopen - door het stimuleren van landgoederen e.a., deze cultuur-natuur enigszins terug te krijgen.
Er zijn meerdere mogelijkheden voor het aanleggen van een terrasoevers. Een mogelijkheid is een oever met een schuin talud. De planten kunnen hierop zelf het plaatsje zoeken, dat de betreffende plant het beste schikt. Wij hebben echter gekozen voor het afgraven of plaggen op het slootniveau. Hiermede wordt het stukje land min of meer plasdras gezet. Een dergelijke situatie tref je aan langs de Geerweg (afslag Brandwijk aan de weg Oud-Alblas naar Streefkerk) naar de Brandwijkse Donk. De voordelen van deze aanleg zijn de volgende. Vanuit de paddenpoel kunnen de
kleine padden en kikkers via het plasdras terrein naar de sloot trekken. Ook kan
het plasdras terrein worden gebruikt door foeragerende vogels. Vlak na de aanleg
is hier een steltlopertje - een witgatje - gezien.
Vroeger lagen de bouwakkers, hennepakkers en boomgaardjes vlak achter de dijken of dicht bij de weteringen. De stalmest was nodig om deze akkertjes en of weiden te bemesten. De oorspronkelijke bos- en moerasgrond daarachter werd weiland en nog verder weg hooiland. Dit hooiland nam 2/3 deel van de Alblasserwaard in beslag De grond werd echter niet meer door vruchtbaar rivierslip overstroomd en door het hooien werden de plantenvoedende stoffen afgevoerd. Hierdoor ontstonden schrale hooilandjes, de blauwgraslanden genaamd. Van mei tot september met bonte bloemen doorweven. Hierin vormt de blauwe zegge de basis en groeien Spaanse ruiter, Tormentil, orchideeën e.a. Deze blauwgraslandjes zijn praktisch verdwenen. Bij de Zijdebrug, dit is de loopbrug aan de weg Oud-Alblas naar Streefkerk, zijn nog een paar veldjes aanwezig. Dit gebied is 15 tot 20 cm. afgegraven. Met een streng maairegime zal worden
getracht de in deze biotoop groeiende planten terug te krijgen. Dit zal echter
nog een aantal jaren duren. De plantenwerkgroep inventariseert jaarlijks en legt
de successie vast. Tevens proberen wij de natuur een beetje te helpen. In 1999 hebben wij
maaisel van een natuurgebiedje in Onze Waard een aantal weken over het terrein
uitgespreid. Wij hopen, dat in het maaisel zaden aanwezig zijn, die tijdens het
drogen op de grond vallen en voor een eerste "hooiland" aanzet zorgen. In de educatieve tuin neemt de composthoop een belangrijke plaats is. Alles
wat gemaaid wordt en alle natuurlijke afval komt op deze hoop terecht. De Merwebolder heeft ons geholpen. Zij hebben een afscheiding van wilgentenen met de tuin gemaakt, zodat het afval zich niet door de tuin verspreid. Wij proberen te verschralen en niet te verrijken (zoals de brandnetels dat aantonen). De gebruikte wilgentenen komen uit het griendje aan de andere kant in de tuin. Een plant, die rijke grond nodig heeft is de pompoen. Deze pompoen is een aantal jaren gekweekt. Het groeit heel snel en de vruchten kunnen een behoorlijke omvang bereiken. Er zijn soorten bij, die gebruikt kunnen worden voor een lekkere soep. Als je een loep bij je heeft, kijk dan eens wat verder in deze compost hoop, vol met dierlijk leven.
4 Ooievaarsnest (top pagina ↑) Toen wij in het voorjaar van 1999 aan de tuin begonnen cirkelde er 4
ooievaars boven de tuin en naastgelegen bos. Wij hopen dat zij terug zullen
keren. Tot op heden zijn er - in het voorjaar - steeds ooievaars gesignaleerd, soms
wel twee tegelijk en heeft copulatie plaatsgevonden. Helaas, tot op heden, nog
geen nestelpoging. Wij hopen dat met het toenemen van de padden en kikkers het voedselaanbod voor de ooievaars voldoende zal zijn. Vogelbescherming probeert wereldwijd het beheer van voldoende terreinen binnen de trekroute en op het eindpunt in Afrika te ondersteunen. Laten wij ons best doen deze zwever te helpen. Immers het is een schitterend gezicht als je een groep op thermiek ziet stijgen en daarna afzwenken verder glijdend op zijn weg naar het einddoel. Als ze te laag komen, dan zoeken zij een nieuwe thermiek bel en stijgen weer omhoog. Eigenlijk is dit een teken van zwakte. Kleine vogels trekken door het continue slaan van hun vleugels. Soms vliegen ze dagen en nachten achter elkaar door, waardoor zij soms meer dan 1/3 van hun lichaamsgewicht verliezen. Hiertoe zijn ooievaars en arenden niet in staat, zij moeten het hebben van..... zweven. Dit stuk van de tuin is niet afgegraven. Het ligt naast de hooiweide. Dit deel van de tuin is voedselrijk, dus arm aan plantensoorten. In 2000 groeide hier veel brandnetel. Na het maaien en afvoeren in 2000, 2001 en 2002 zijn de brandnetels praktisch verdwenen. Ook voor dit stukje terrein geldt een streng maairegime, meerdere malen per jaar. Wij hopen hiermee de specifieke Alblasserwaardse planten terug te krijgen zoals: Fluitekruid; Smeerwortel; Valeriaan; Kattestaart; Gele Lis, Distel, Klitten, Cichorei en Koninginnekruid. Deze heemtuin is dus in een successie fase, elk jaar komen er nieuwe planten en verdwijnen er planten, die vorig jaar wel aanwezig waren. Hieruit blijkt, dat je elk jaar weer nieuwe soorten kunt ontdekken. 6. Ringslanghopen en Takkenbos (top pagina ↑) Wij hebben twee ringslangenbroedhopen en een -winterhoop ingericht. In 1998 is, in de buurt van Bleskensgraaf, een ringslang waargenomen. Het is dus de moeite waard de biotoop aan te leggen. Ringslangen komen hoofdzakelijk voor aan de IJsselmeerkust en de verveningen ten zuidoosten van Amsterdam tot aan de Krimpenerwaard. Ook zijn er waarnemingen in de Biesbosch en in de buurt van Hei & Boeicoop bekend. Het is de grootste van onze inheemse slangen en heeft 2 halvemaanvormige geelachtige vlekken achter de kop, daarachter bevindt zich een donkere vlek. Het achterlijf is grijs/groen met aan de zijkant donkere verticale streepjes. De keel en buik zijn wit, naar achteren toe echter steeds donkerder door een vlekkenpatroon. Ze zijn niet giftig. In maart komen ze te voorschijn bij een temperatuur van minimaal 10 graden. De paring vindt plaats in maart / april. De dracht is ca 2 tot 3 maanden. De 10 tot 40 eieren leerachtige eieren van ca 2 cm worden gelegd op warme niet te droge plaatsen. Bij geboorte in augustus / september zijn ze 14 tot 22 cm lang. In oktober gaan ze weer in winterslaap. De mannelijke dieren zijn na 3 jaar - bij een lengte van 50 cm - geslachtsrijp. De vrouwtjes na 4 jaar, bij een lengte van 65 cm. De maximale lengte in Nederland voor de vrouwtjes is 120 en de mannetjes 85 cm. De ringslang eet hoofdzakelijk kikkers, padden en salamanders maar ook larven van insecten en kleine visjes, in drogere terreinen muizen. Jong moerasbos, hakhout en grasland is noodzakelijk. Hun vijanden zijn blauwe reigers en katten Er zijn twee broedhopen en een winteronderkomen ingericht op een zonnige plek. De broedhopen bestaan uit een hoogte van 1,5 meter en 4 meter grondoppervlak. De opbouw bestaat voor 1/3 uit bladafval, 1/3 uit paardenmest met stro en 1/3 deel uit haksel en takken. Als alternatieven kan worden gebruikt: slootafval en ander plantaardig materiaal. Dit wordt goed door elkaar gemengd en nat gemaakt. Het moet gaan broeien tot een temperatuur van meer dan 30 graden. De slangen kunnen niet graven, zo moeten er dus zo in kunnen kruipen. Om de paar jaar moet een nieuwe broedhoop in april of mei worden aangelegd. Het opruimen van de oude hoop vindt plaats eind september tot begin oktober, dus vlak voor de winterslaap. Het winteronderkomen heeft een ca 6 meter doorsnede bestaat uit een kern van zand ca 1,5 meter hoog. Daarop wordt ca een meter grote stenen gelegd zonder afdekgrond tot een meter hoog. De top van de berg wordt met kleine stenen afgedekt. Over de kleine stenen wordt afdekgrond gestort tot ca 2/3 van de flanken. De takkenbossen zijn neergelegd als broedbiotoop voor vogels en zoogdieren. In het verleden vond het vee vaak de dood bij epidemieën, dus net als nu de MKZ. Het dode vee kon - gezien het slechte wegennet alsmede het ontbreken van voorzieningen - niet worden afgevoerd. Veelal werd het vee - zo ver mogelijk van de boerderij - begraven. Gezien het gevaar van infectie werd dit land zoveel mogelijk gemeden. Er werd een sloot omheen gegraven, zodat het vee er niet meer bij kon komen. Deze stukjes land werden niet meer begraasd of gehooid. De kadavers zorgde voor voedselrijkdom. Als in Nederland grond braak komt te liggen dan ontstaan hier op bosschages. Deze bosschages kom je nu nog op een aantal plaatsen tegen en bestaan uit een aantal in het wild voorkomen boomsoorten. Langs de weg van Oud-Alblas naar Streefkerk liggen nog twee bosjes aan je rechter hand. Het zijn over het algemeen eldorado’s voor onze flora en fauna, vooral voor de bos- en zangvogels, de grondvogels, zoogdieren etc. Vooral de rust in deze gebiedjes zorgen hiervoor.
8. Insectentuin (top pagina ↑) In de insectentuin tegenover het pestbosje zijn en worden een aantal struiken aangeplant, die aantrekkelijk zijn voor de insectenwereld zoals meidoorn, sleedoorn, buddleja e.d.. Deze mogen niet hoog groeien in verband met de benodigde warmte voor de ringslangenhopen. Er is een stoepje van keitjes aangelegd, waarin zand is gevoegd. Dit is is ingericht voor Crabrowespen. Dit zijn graafwespen, waarvan een bepaald soort in de omgeving van lissen haar biotoop kiest. Deze zijn wel eens in Papendrecht waargenomen. Je kan de mannetjes wespen herkennen. Aan de voorpoten zitten ronde plaatjes, die goed opvallen.
9. Kleine beestjespad (top pagina ↑) Dit is een pad waaraan een aantal educatieve elementen zijn gebouwd. Het is de bedoeling, dat je gaat zoeken naar allerlei (kleine) beestjes, die zich in de verschillende biotopen gevestigd hebben. Met een loeppotjes en zoekkaarten - die te koop zijn in het centrum - kan je zo’n tocht ondernemen. Wij hebben o.a.: Een bak met grasmaaisel. Dit lijkt op de composthoop. Deze bak is interessant voor allerlei kleine beestjes, die het gras omzetten naar compost. Een bak met stokken, die zijn gesnoeid. Ook hier geldt, dat de takken worden afgebroken. Door vocht, zuurstof en kleine beestjes vermolmen de stokken en wordt dit omgezet in compost. Een bak met aarde. Dit zijn vaak plaggen, die we ergens in de tuin uit moesten steken. Het dierenleven is hierin terug te vinden. Opgestapelde stenen met kleine ruimten er tussen. Hierin kunnen zich, vooral in de winter, allerlei insecten en kleine zoogdieren, zoals muizen verstoppen. Het hooi wat er overheen gestrooid is houdt het vocht tegen. Tevens zijn stammetjes gestapeld. Als je goed kijkt onder de schors zie je op het kernhout allerlei gangetjes van insectenlarven.
10. Erfbeplanting (top pagina ↑) De erfbeplanting wordt in onze waard toegepast om de boerderij. Het is een bescherming tegen weersinvloeden, camoufleren van bebouwing, sierelement, aanplant van drachtplanten voor bijen, winning van geriefhout, vruchten etc. In het ontwerp wordt rekening gehouden met de wensen van de bewoner. Als waarschuwing aan hem of haar: " Wie op zijn erf geen bomen plant, wordt vroeg of laat een vaste klant, van arts of dakpanfabrikant ". Dit is dus een voorbeeld voor een agrariër, die zijn erfbeplanting wil aanpassen met bomen, die in de Alblasserwaard thuishoren. Hierin komen de Alblasserwaardse flora en fauna voor. Bosperceeltjes tussen de weilanden zijn aantrekkelijk voor veel planten en dieren. De verschijningsvorm is per streek verschillend. Voor nadere informatie zijn meerdere uitgaven: Kijk even naar de drie populieren, die aan de westzijde van de erfbeplanting liggen. Deze zijn afgezaagd langs de vliet. Er staat nog een dode knotpopulier met veel paddestoelen. Weet je dat het afbreken van een boom veelal evenveel tijd kost als de leeftijd van de boom. Kijk - bij mooi weer - ook eens naar de verschillende soorten insecten, die een nestelplaats zoeken
Omdat er steeds meer hout nodig was en de grond vaak veel te nat, om landbouw of veeteelt uit te oefenen, werden wilgenbossen geplant. De geoogste rechte wilgenstokken (stek) werden in de grond gestoken en na enkele jaren zo laag mogelijk geknot. Op deze wijze waren de takken makkelijk te oogsten. Veelal werd een dergelijk terrein binnendijks - ver weg van de boerderij - aangeplant voor het gerief (gebruik) van de boer op zijn bedrijf. (geriefhout) In het Alblasserbos ligt nog een van de laatste binnendijkse grienden. Na de overstroming van de Grote Waard door de St. Elisabethsvloed op 18 november 1421 en langs de grote rivieren werden ook buitendijks grienden aangeplant om de grond vast te houden van de eb- en vloedbeweging en voor het hout. Zowel langs de Lek als de Merwede zijn deze grienden nog aanwezig. Het aantal soorten wilgen nam door de jaren toe. Voor de verschillende soorten toepassingen werden andere wilgensoorten gekweekt. Vaak stond er aan de rand van de griend een rij bindwilg. Om de bossen takken te binden in plaats van met touw. Dit hout werd voor zeer vele toepassingen gebruikt: Het aanleggen en onderhoud van dijken het z.g. rijshout. Het woord rijs betekend "dunne tak". Ook deze naam is terug te vinden in de namen van plaatsen zoals Rijswijk, Rijsoord en Rijswaard. Deze dunnen takken werden gevlochten tot een "hor" of "horde". Vaak hoor je de naam Hordijk of Horden. Deze werden op allerlei plaatsen gebruikt als afscherming. Er werden zelfs schuurtjes van gevlochten afgedekt met een rietendakje. Op de boerderij werd het hout op allerlei plaatsen gebruikt zoals voor: palen voor hekwerk, beschoeiingen van sloten, hekwerken bij weilanden, rasters, steigers, verplaatsbare bruggen etc. In de handel werden vaak tonnen gebruikt als verpakkingsmateriaal. De duigen werden bijeen gehouden door hoepen. Deze hoepen waren van wilgehout. Een polder onder de rook van Amsterdam heet "De Ronde Hoep". In het boek Oude Boerenerven van de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden van P. Verhagen is een uitgebreide beschrijving gegeven van deze cultuur binnen het boerenbedrijf.
12. Grote beestenplein en wigwam (top pagina ↑) Dit pleintje wordt omgeven door houtwallen. Het gesnoeide hout wordt hierin verwerkt. Tevens zijn een aantal meidoornboompjes geplant. Wij hopen hier een beschutte ruimte te creëren. Hier kan je even van de rust genieten. Tevens kunnen de banken worden gebruikt als schoolklassen of groepen worden rondgeleid. Op het centrum zijn schermen gevlochten, zoals dat vroeger in de Alblasserwaard werd gedaan. Wij hebben een houten wigwam neergezet. Dit is een voorbeeld van vlechtwerk met wilgehout uit een griend. Het vlechtwerk is tijdens een open dag, door de kinderen gevlochten gezamenlijk met andere aanwezigen. Van de staande takken is op het kruispunt de barst weggehaald. Wij hopen, dat ze aan elkaar zullen groeien.
13. Vleermuistunnel (top pagina ↑) Dit vleermuisonderkomen is opgebouwd om een aantal vleermuissoorten zoals dwergvleermuis, laatvlieger e.a. een winteronderkomen te bieden. Het inwendige bestaat uit een betonnen buis van 160 cm doorsnede. De achterzijde is afgezet met een betonnen plaat. Aan de voorzijde is een deur met vlieggat. In het buisgedeelte zijn houten kasten opgehangen en aan de achterwand is een stenen muur gemetseld met gleuven en kieren, zodat de vleermuizen - aan hun achterpoten - kunnen hangen tot de warme dagen aanbreken. Over de buis is grond gestort uit de paddenpoel om binnen een constante temperatuur te kunnen handhaven. De binnentemperatuur en vochtigheidsgraad moeten binnen bepaalde grenzen blijven. Deze vleermuizen worden door de zoogdierenwerkgroep middels batdectoren geïnventariseerd. Immers de vleermuis vliegt op sonar al zo 50.000.000 jaar lang. Wij passen deze methode nog geen 100 jaar toe. Er zijn zelfs vlinders, die deze sonar beïnvloeden, waardoor de vleermuis gedesoriënteerd wordt. Sommige soorten zenden signalen uit via de keel en vangt ze met de oren op. Andere zenden en ontvangen signalen met de neus. De paringen vinden plaats vanaf de herfst tot in het voorjaar. De bevruchting echter gebeurt pas in het voorjaar, zodat er voldoende voedsel is. De jongen worden geboren in kraamkamers. Daar moet het droog, rustig en warm zijn. Hiervoor worden vaak zolders, schuren, holle bomen of spouwmuren uitgekozen. Dan worden hier zwermen vleermuizen waargenomen. Foto’s van de vleermuistunnel en tekening van kasten de kasten op het centrum Ons centrum is in de aflopen jaren vleermuisopvang geworden. Wordt ‘s winters een vleermuis ontdekt, die niet op die plaats kan blijven, dan worden wij ingeschakeld. Ook in de bosrand zijn een aantal vleermuiskasten (kasten waaronder een aanvliegbord) opgehangen om de vleermuizen de winter door te helpen
14. Insectenmuur (top pagina ↑) Deze muur is aangelegd voor de wilde bijen en wespen. Dit zijn solitair levende insecten. De dieren worden getrokken door nestgelegenheid en voedsel. (schep de biotoop en de dieren komen vanzelf). Hier zijn dus geen sociale honingbijen (Apis) en papier- of limonadewespen (Vespa) Nestgelegenheid: De muur is geplaatst op het zuiden beschut door de vleermuisbuis aan de noordzijde. Het belangrijkste is ... warmte. In de lente en zomer, bij zonneschijn, zijn ze aanwezig. In de muur zijn gaten geboord en tussen de muren is zand gestort. De kokers zijn gevuld met riet, bamboe, vlier en braam. Tevens zijn gaten geboord aan de kopsekant van het hout (2, 4, 6 en 8 mm). Ook is mergel en hout geplaatst. In de onderrand zijn nestkasten voor de hommels gemaakt. Tussen de keien in het zand en het zand aan de linkerzijde van de muur maken sommige bijen en wespen zelf hun nestholten. Hiervoor mag het zand slechts matig begroeid zijn. Voedsel: Er is een insectentuin aangelegd. Op het zand en het veen zijn een aantal plantensoorten aanwezig, die voor bijen en wespen interessant zijn zoals: lip-, vlinder- en schermbloemigen, ereprijs, havikskruid, boerenwormkruid, wederik e.d. Het verschil tussen wespen en bijen is, dat de wespen dierlijk voedsel voor het broedsel verzamelen en de bijen stuifmeel. Hoe ziet zo’n nest er uit? Kijk in het demonstratiekastje, dan zie je de vakjes waarin steeds een eitje met voedsel is gelegd. Het is wel zo dat de verschillende soorten bijen en wespen op verschillende wijze nesten maken. Kijk eens naar het gedrag van de spinnendoders (wespen). In de rotstuin vindt soms het gevecht plaats tussen de spin en de wesp. Let eens goed op of je goudwespen ziet. Ze zijn mooi, metalliek groen en rood gekleurd. Het zijn koekoekswespen, die gebruik maken van de nesten van andere wespen en bijen. Wil je zo’n bij of wesp eens goed zien ... Er zijn op het centrum vangpotjes te koop. Als je ziet dat een bij of wesp naar binnen kruipt hou het potje er voor tot het beestje naar buiten komt. Deksel er op en eens goed kijken en daarna weer loslaten. Wil je voor je tuin zelf iets inrichten ... voor EUR 0,20 ligt een brochure voor je klaar...........Wij wensen je veel genoegen bij je natuurbeleven.
In de rotstuin zijn een aantal planten bijeen gebracht uit de alpen zoals huislook, saxifrages, klokjes en andere. Het tuintje vraagt veel onderhoud en moet in het seizoen wekelijks worden onderhouden. Een grote rotstuin is aangelegd in de botanische tuin Uithof in Utrecht. De stenen in de tuin zijn gewone tegels, die gebroken zijn. Er liggen echter ook mineralen uit Sauerland en Eifel. Hier zitten soms nog heel kleine mineralen in. Om die te zien heb je echter een loepje van 10x nodig. Leg ze weer terug op dezelfde plek om de plantengroei niet te verstoren. Op de grond lopen op een zonnige zomerdag veel spinnen en spinnendoders (soort wespen) rond. Kijk eens hoe deze spinnen worden gevangen. Ook deze planten zijn vaak een nectarbron voor de insecten. 16/20 Zoogdierenverblijf (top pagina ↑) Binnen de Alblasserwaard komen naast de vleermuizen verschillende andere zoogdieren voor. Zoals de insecteneters (egel, mol en spitsmuizen), de Haasachtigen (haas en konijn), de knaagdieren (woelmuizen, muizen en ratten), de marterachtigen (wezel, hermelijn en bunzing), de hondachtigen (vos) en de herten (ree). Over de vos wordt verteld, dat zwervers zo nu en dan in de Waard worden waargenomen. Het linker verblijf bestaat uit een kern van gestapelde stammen en dikke takken. Hierin zijn zo dicht mogelijk takken en twijgen ingestoken voor isolatie. Over de kern heen een dikke laag riet, hooi en gras. Deze laatste laag wordt regelmatig vernieuwd. In het rechtse verblijf is een kast geplaatst specifiek voor de egel. Ook zijn er kasten geplaatst in de insectenmuur voor muizen. De insecteneters zijn in de tuin waargenomen. De haas is een echt polder- en steppedier. Het onderkomen is een open nestholletje, terwijl het konijn juist een graver is, die je op de donken kan tegenkomen, die zijn in de tuin waargenomen. De knaagdieren vinden hun onderkomen in holletjes in de grond en tussen de takken, dicht bij de grond. Voor de marterachtigen is een zoogdieronderkomen gemaakt. In de winter van 2003 heeft een bunzing gebruik gemaakt van het onderkomen. De ree wordt zo nu en dan - vooral in de winter - in het Alblasserbos waargenomen. Veelal aan de westzijde, waar geen honden mogen komen. De woelmuizen zijn knaagdieren met stompe snuit, korte staart en kleine oren. De muizen en ratten hebben een lange staart en zichtbare grote oren uitgezonderd de dwergmuis. De bunzing is donker en heeft een kop met camouflage vlekken. Het verschil tussen wezel en hermelijn. De hermelijn is groter, heeft een staart met een zwarte punt en leeft veelal in de wat nattere terreinen als de wezel. Een hermelijn zwemt ook makkelijker dan een wezel. De zoogdieren krijgen een goede toegangs- en afvoerweg. Laagblijvende struiken zoals Braam, Mei- en Sleedoorn, Liguster, Hazelaar; Acacia; Vlier e.d. zijn aangeplant. Kijk in het zand er voor, of je pootafdrukken of andere sporen kan ontdekken. 17. Insectentuin (zand) (top pagina ↑) Dit is een stukje, dat je misschien aan kunt treffen bij een spoorlijn of een dijk. Wij hebben het veen af laten dekken met worteldoek en groot aantal m3 rivierzand gestort. Een deskundige heeft een beplantingsplan gemaakt afgestemd op de behoeften van de insecten. In de herfst van 2001 hebben wij ingeplant en gezaaid. Dit zijn de volgende soorten: Tijm in een bed op de zandheuvel. Gamander en echte solitaire bijenplant; Rozemarijn; Zenegroen; Bieslook; Kogeldistel; Kattenstaart; Kattedoorn; Knolspirea; Beemdooievaarsbek; Havikskruid; St. Janskruid; Heelblaadjes; Zandblauwtje; Kroonkruid; Beemdkroon; Kaardenbol; Wilde Marjolein; Sedum; Hemelsleutel; Kruipende Brem; Lavendel; Kleinbloemige Aster; Echte Guldenroede; Brunel; Vlinderstruik. Uiteraard is moeilijk te bepalen welke soorten zich zullen handhaven, verdwijnen of worden toegevoegd. Aan de randen: Meidoorn; Sleedoorn; Roos; Zuurbes e.a. De knotwilgen aan de rand geven de insecten de mogelijkheid tot broeden en verschuilen. Bij warm weer zie je een groot aantal insecten over het zand lopen en vliegen.
Poelen waren in het verleden drinkplaatsen voor het vee en werden gevoed door regen, grondwater, kwel of afstromend water van de hellingen, die de plas omgeven. Vaak waren deze specifiek hiervoor gegraven in vooral de hogere weide gebieden en op de zeeklei, in verband met zoute invloed. In Twente waren meer dan 10.000 poelen. De oppervlakte is veelal tussen 25 en 500 m2 of groter en dusdanig diep dat zij ook in de zomer water kan bevatten. Deze poel is op het diepste punt ca 1,5 meter (om bevriezen tot de bodem tegen te gaan) en langzaam aflopend aan de noordzijde, zodat de noordzijde van de poel door de zon wordt beschenen en een maximum aan warm water kan bevatten. Deze poelen kregen als nevenfunctie het behoud van planten- en dierensoorten zoals slakken, kikkers, salamanders e.d.. Binnen de huidige agrarische bedrijfsvoering heeft de poel zijn bedrijfsfunctie verloren, zodat zij niet meer werden geschoond en derhalve dichtgroeiden. Waterpeil verlaging, vermesting en verzuring zorgde voor de doodsteek van de poelen. Natuurwaarden. De bewoners bestaan uit drie groepen: producenten (planten); consumenten (predators en planteneters) en reducenten (afbraak consumenten e.a.) Producenten: 1. eencellige zoals groen- en kiezelalgen (plankton), dit zijn zuurstof leveranciers. 2. drijvende planten: kroossoorten waterranonkel. 3. Grote waterplanten: hoornblad, waterpest; vederkruid; fonteinkruid. Consumenten: 1. planteneters zowel microscopisch klein als slakken, vissen en insecten. 2. Vleeseters zoals bloedzuigers; waterspinnen; bootsmannetjes; rugzwemmers; salamanders. Reducenten: Afvalopruimers dood materiaal omzetten tot mineralen, zoals insectenlarven, waterpissebedden, slakken, wormen. Hiermee is de voedselkringloop gesloten. Hierin zijn ingewikkelde relaties mogelijk. Watersalamanders plakken hun eitjes tussen zelf dubbelgevouwen blaadjes. Padden wikkelen hun eisnoeren vaak om plantenstengels. Kikkers zetten eiklompjes af boven waterplanten met een fijne bladstructuur. Zwaluwen jagen boven water op insecten en modderplekjes voorzien hun van bouwmateriaal. De bunzingen gaat op kikkerjacht. Tevens geven de randen van de poel foerageermogelijkheden voor (trek)vogels. Voor amfibieën geldt, dat voortplantings-, zomer- en winterbiotoop vaak gescheiden zijn. De voortplanting vindt altijd in het water plaats. Na het larvenstadium wordt het land opgezocht. Amfibieën zijn koudbloedig. De larven van kikkers leven van algen. De salamanderlarven eten watervlooien e.d. Na de metamorfose leven zij op land verder. Volwassen salamanders behouden soms hun larvale kenmerken, de uitwendige kieuwen, dit heet neotenie. De landvegetatie moet gevarieerd zijn en de winterbiotoop moet relatief warme plekjes hebben om zich in te verschuilen b.v. onder bladeren, hout, mos of stenen. Sommige soorten brengen de winter door in de modder onder water. In Nederland zijn 15 soorten amfibieën, wereldwijd 2800. Alleen de vuursalamander - sporadisch in Limburg is een landsalamander, de overige soorten zijn: de grote-, de kleine-, de vinpoot- en de alpen- zijn watersalamanders. De kleine komt in het hele land voor, bewoont de wat grotere poelen in diepere, onbegroeide delen. Voor de grote- geldt het zelfde, echter die komt minder voor. De vinpoot komt voor in Brabant en Limburg. De alpensalamander alleen ten zuiden van de grote rivieren. In Zuid-Limburg de vroedmeester- en geelbuikvuurpad. De gewone pad en de rugstreeppad komen landelijk voor. De eerste algemeen in weiland poelen de tweede soort minder in ondiepe nieuw ontstane plassen en sloten. De boomkikker komt gering voor in diluviale gebieden in heggen, houtwallen (braam). De grote- en kleine groene kikker, kwaken. De grote- bewoont grote wateren, de kleine- kleine wateren en komt redelijk algemeen voor. De meest voorkomende in echter de bruine kikker, die bromt. De heikikker komt voor op plaatsen van veenvorming ook in onze omgeving, deze gaat achteruit. In 2003 waren in de paringstijd 14 heidekikkers aanwezig. 19. Zwaluwdraden (top pagina ↑) Deze palen met draden zijn uit de oude doos. Vroeger werden de elektriciteits- en telefoondraden zo aangelegd. Soms kan je in het buitenland op het platteland deze draden nog aantreffen. Vooral de zwaluwen gebruikte de draden voor de grote trek naar het verre Afrika. Er waren ook veel vogels, die vanaf deze draden op insecten en knaagdieren letten, om zo aan hun voedsel te komen. Een advies bij het vogels kijken - zelfs vanuit een tourbus of auto - let op zulke draden. De vogels zitten onbeschut, dus je kan ze goed waarnemen. (20. Zoogdierenverblijf - zie nummer 16) In de 11e eeuw verkregen de leenheren van de Duitse keizer het beschikkingsrecht over de veengebieden tussen de rivieren. Deze woeste gronden werden in cultuur gebracht. De - door de landmeters - uitgezette stukken land met een lengte van 650 meter of veelvoud hiervan en een breedte van 120 meter werden hoeves genoemd. De verkaveling vond plaats uitgaande van een rivier, veenstroom, gegraven watergang, oeverwal of stroomrug, daar stonden ook de boerderijen. Aan de eindgrens van een ontginningsblok wierp men vaak een kunstmatige verhoging, een kade op en soms 2 kaden, met sloten. Onder de dijken door kwelde het water, dat moest worden afgevoerd. Hiervoor werd vermoedelijk een dijkje aangelegd (een kweldijkje) om het water tegen te houden. Over de naam "tiendweg" worden meerdere verklaringen gegeven. Een acceptabele verklaring is dat tiendweg een verbastering is van het oude werkwoord tieen, wat trekken betekend (in het Duits ziehen). Tieen is verwant aan tijgen, bewegen. Dit slaat op het trekken (afvoeren) van het water langs de dam. De huidige tiendwegen in de Alblasserwaard bevinden zich veelal in de nabijheid van de de dijken o.a. langs de Lekdijk en bij Papendrecht Op tiendwegen wordt meestal een 2 rijige beplanting aangetroffen. De meest gebruikte boomsoorten op tiendwegen zijn (knot)wilgen en els. Essen werden veel gebruikt bij de opritten naar het land als markeringspunt, de zogenaamde hovelingen. Nu dienen de tiendwegen voor de recreatie zowel fiets- als wandelpaden. Tiendwegen zijn nog te vinden ten noorden van Oud-Alblas van oost naar west lopend, deze wordt door onze knotgroep gereviseerd. Tevens loopt een lange tiendweg parallel aan de dijk van de Lek. (het boek: Boer en Boerderij van Huib de Kok is het standaardwerk van de Alblasserwaard)
De knotwilg is reeds vanaf het begin van onze jaartelling bekend. Toen werd het hout en de tenen (dunne hout) gebruikt om huizen te bouwen en gebruiksvoorwerpen te maken. De wilg zorgde zelfs voor plaatsnamen zoals Wilgenplas bij Schiebroek, Wilgendam bij Noordwijk en wat denken wij van de wijk Wilgendonk in Papendrecht. De knotwilgen in Onze Waard zijn vooral langs sloten aangeplant. Op andere plaatsen in ons land zijn het vaak knotpopulieren en knotessen. Knotelzen groeien meer op voedselarme landbouwgrond. Het hout werd gebruikt als gerief hout voor palen, stokken voor bonen e.d. en takken om de kachel te stoken. De bomen geven schaduw aan het vee in de weide alsmede beschutting tegen harde wind, felle zon, slagregens en hagelbuien. De wortels verstevigen de slootkanten. Als de knotwilg niet meer wordt gehakt, dan wordt deze topzwaar en valt uiteindelijk om. In Onze Waard zijn er meerdere van deze exemplaren te vinden. Binnen Onze Waard wordt voor meer dan 30 jaar door vrijwilligers deze bomen onderhouden om het karakteristieke beeld te behouden. De dikke (dode) knotbomen in de tuin zijn populieren. De dunnere bomen zijn wilgen. De knotwilg is vaak een kenmerkende boom. Vooral al ze ouder worden ziet elke boom er weer heel anders uit. Vaak staat alleen de stam met takken nog overeind en is de boom weggezakt. Er zijn wel 200 plantensoorten in de knot waargenomen b.v. fluitenkruid, paardebloem, bitterzoet, grassen, meidoorn, vlier, rozen, berken etc. De boom wordt dan ook veel bezocht door allerlei dieren. Allerlei vogels, vooral holtebroeders als mezen, heggenmus en ook een van onze mooiste vogeltjes de gekraagde roodstaart. In het Alblasserbos heeft o.a. een ransuil gebroed in een knotwilg. Ook zoogdieren maken gebruik van de schuil mogelijkheden vooral knaagdieren. Een groot aantal insectensoorten huizen in knotwilgen. Vlindersoorten zoals de wilgenhoutrups die gangen maakt in het hout. Deze naar azijn ruikende rupsen waren een lekkernij voor de Romeinen. Ook veel solitaire bijtjes, in het vroege voorjaar, vliegen op wilgen. Willen je dit knotten eens meemaken, dan kan je je opgeven bij een van de knotgroepen. 23. Kruidentuin (top pagina ↑) Er zijn twee kruidentuintjes aangelegd. Een tuintje met klim- en geurplanten en een tuintje met kruiden, die ook in de keuken worden gebruikt. Voor de klimplanten zijn rekken geplaatst. Oost Indische kers; kamperfoelie, lathyrus, bosrank, vogelwikke en aardaker, veel van deze planten trekken ook verschillende soorten insecten aan. De aangepote geurplanten zijn teunisbloem (die ‘s nachts bloeit), look zonder look (voor het oranje tipje, een vlinder), valeriaan, boerenwormkruid en leverkruid (voor de vele vliegen- en keversoorten). Ook zijn ruwbladige geplant, zoals zonnebloem, heliant, smeerwortel, distel en kaardenbol. In de kruidentuin zijn een aantal keukenkruiden gepoot en ingezaaid, zoals bernagie, citroenkruid, kamille, dille, bijvoet, citroenmelisse, karwij, selderij, munt, tijm, bonenkruid, lieve vrouwe bedstro en vrouwenmantel. In een apart tuintje is lavendel gepoot. Deze kruiden hebben vaak een specifieke geur. Gebruik hierbij eens je reukzintuig. Wij hebben een verhoogde kruidenspiraal aangelegd, vlak bij de rotstuin. Hierin staan kruiden, die een droge bodemgesteldheid vragen. 24. Beestentoren (top pagina ↑) Zelfs in een klein tuintje midden in stad of dorp is het mogelijk de fauna aan te trekken. Naast een plantentuin, die hierop wordt afgestemd is het mogelijk voor broedgelegenheid te zorgen voor allerlei insecten, amfibieën, vogels en zoogdieren. Het is een ontwerp van Project Aarde, Tuinen van Overvloed - Stokebrand 233 - 7206 EE - Zutphen. De bouwtekening is daar te bestellen voor 7 euro op giro 4280940. Het geheel is opgebouwd rond een paal. In deze "flat" vinden de volgende beestjes hun woning: Vogels in een nestkastje en vleermuizen op de bovenste etage. Een vogel voederplek. Een kleine beestjes hotel in het riet en gaten in het hout. Een hommelhome tussen de stenen en tegels. Een egelburcht op de grond. Uiteraard kan je zelf voor een andere opbouw kiezen met b.v. kasten voor muizensoorten of een plek voor marterachtigen etc.. Op deze manier krijgt je een tuin met meer dierenleven. Immers op de TV ziet je de mooiste dierenfilms, maar het allermooist is toch het zelf ontdekken hoe alles groeit en bloeit. 25. Wiel en Eendenkooi (top pagina ↑) Wiel in de Alblasserwaard vonden totaal 33 dijkdoorbraken plaats. Onze waard heeft dus veel onderwater gestaan. Als de dijk doorbrak ontstond vlak achter de dijk een draaikolk, die wel 10 tot 20 meter diep kon gaan. Dit werd dus een rond meertje. Bij het herstel van de dijk werd dit meertje niet dicht gegooid. Dit is een Wiel. Deze wielen vind je dus langs dijken vooral bij Papendrecht en Alblasserdam, omdat de polder daar het diepste is. Een leuk wiel is er bij de Zijdenbrug (weg Oud-Alblas naar Streefkerk), dus midden in de polder. De eerste bedijking liep vanaf de Matena ten westen van ons Centrum naar Streefkerk. In die tijd heeft daar een dijkdoorbraak plaatsgevonden. De doorsnee van een echt wiel is natuurlijk veel groter (50 tot 150 meter) dan dit miniatuur voorbeeld wiel. Eendenkooi Naast het Wiel gebruiken wij dit meertje met vangarm ook als voorbeeld voor een eendenkooi. Achter in de polder werd het steeds natter, zo nat dat zelfs de wilgen niet meer willen groeien. Daar werd een plas gegraven met vangarmen. Op de dijkjes ging bos groeien, dus een rustplek voor de eenden. Langs de vangarmen werden rieten wandjes geplaatst, daar liet de kooiker zijn kooihondje met zwabberende staart langs lopen, ook gooide hij voer in het water. De nieuwsgierige eenden werden in de vangarm gelokt. Als ze er ver genoeg ingezwommen waren, dan joeg de kooiker ze verder naar binnen, tot in de kist (de dood), daar werden ze de nek omgedraaid. Dat was 's winters voedsel in de pot van de boer. Er waren ca 150 eendenkooien in de Alblasserwaard. Wij hebben enkele planten ingebracht, zoals de gele lis en de zwanenbloem. Het is de bedoeling, dat de normale moerasplanten uit de Alblasserwaard hier een plaatsje vinden. Tevens is dit plasje een uitwijkmogelijkheid voor de dieren van de paddenpoel. Op het vlonder kan je plaats nemen op de bank, om de omgeving in je op te nemen en vooral om in het water het dierenleven te volgen. Onze Alblasserwaard is een landschap, glad en laag (onder de zeespiegel), nee heuvels komen hier niet voor..... of toch. Als je tijdens het lopen of fietsen goed oplet zie je overal in het land verhogingen. Dit zijn donken. Donken zijn zandige heuvels in het rivierengebied. Ze zijn ontstaan na de laatste ijstijd zo’n 10.000 jaar geleden. De grote rivieren zochten hun weg naar de Noordzee. In de brede rivierdalen werd grind en grof zand afgezet. Dit zand waaide op tot duinen met een hoogte van wel 20 meter. In de Alblasserwaard werden deze duinen afgedekt met rivierklei en veen. Na het inklinken van het veen (dat nog steeds door gaat) steken deze donken - zand klinkt niet in - boven het maaiveld. Vaak zijn boerderijen en kerken op deze verhogingen (donken en stroomruggen) gebouwd. Er zijn er een paar die extra groot en hoog zijn t.w.: De Schoonenburgse heuvel en Den Donk bij Brandwijk. Het zijn soms archieven uit het verleden en vaak archeologisch beschermd. Op de Den Donk bij Brandwijk heeft in de middeleeuwen het Cisterciënzerklooster Maria Ten Donk gestaan. In het Alblasserbos ingang Oud Alblas is nog een donk, hierop bevindt zich een oude boomgaard. Wij hebben een Donk geïmiteerd. De kinderen kunnen via het houten- en stenen trapje het "uitkijkdonk" beklimmen. Ook hier heeft de Merwebolder vlechtwerk aangebracht. Wij hebben de zonzijde van de donk ingezaaid met bijenplanten. Je hebt een leuk uitzicht over de tuin. Wees wel voorzichtig met het houten trapje. Op sommige plaatsen, waar geen donken of stroomruggen zijn werd met een schip klei uit de rivieren aan gevoerd. De 13 oude boerderijen en het kerkje in Wijngaarden is gebouwd op aangevoerde rivierklei. Dit is geen onderdeel van de educatieve tuin. De Rotary heeft - in samenwerking met de schooljeugd een project uitgevoerd. Op het bordje staat het thema "Polio de wereld uit" 1998. Het is een bericht aan de toekomst. De schooljeugd heeft opstellen gemaakt over hun leven, zoals ze leren, spelen etc. Het is de bedoeling dat, in het jaar dat op de piramide is geplaatst, deze wordt opengemaakt en deze opstellen worden gelezen. Het labyrint is een oud symbool, dat al sinds prehistorische tijden (18.000 jaar geleden) voorkomt op veel plaatsen op de wereld, b.v. Sahara, Siberië, Peru, China, Scandinavië maar ook in het oude Egypte en Griekenland. De tocht door het labyrint werd gezien als een overgang naar iets nieuws, bijvoorbeeld een nieuwe levensfase van kind naar volwassenheid. Het geconcentreerd afleggen van de tocht door het labyrint kan inzicht geven, een probleem helpen oplossen of je hoofd helder maken. Het kan ook een overgang zijn van het ene deel van de tuin naar een ander deel, of van een les binnen met lezen, schrijven en tekenen naar een les buiten waar je gaat kijken, ruiken, voelen en horen, dus een overgangsritueel. Als je dit labyrint loopt kom je altijd in het midden. Er bestaat ook een andere mogelijkheid: een doolhof. Deze heeft doodlopende paadjes en je moet steeds zoeken en goed nadenken om in het midden (en weer terug) te komen. Bij een doolhof staan er langs de paadjes vaak hoge heggen, muurtjes, spiegels of er stroomt water langs, zodat je niet zomaar even van pad kunt wisselen. Labyrinten komen voor op de grond, gemaakt met keien, of uitgehakt in de rotsbodem. Ook werden ze gehakt in muren, in ijs en in zand. Vaak bevonden ze zich in grotten en in oude graven. Zelfs steden konden gebouwd zijn in die vorm. Ook de toegangsweg tot de bergplaats van een schat kon een labyrint zijn. Later komen labyrinten veel voor in oude kerken, als tegeltableau op de vloer of op een muur. De monniken legden het labyrint af, biddend op hun knieën. Vanaf de achttiende eeuw tot nu toe worden ze het meest gebruikt als speelelementen (ook voor volwassenen) en als decoratie, bijvoorbeeld van een park of een stads- of dorpsplein (Deventer). De weg van het labyrint lopend (of met je vinger of ogen volgend) brengt je tot het midden en weer terug. 29. Hoogwaterpaal en zonnewijzer (top pagina ↑) Dit element is toegevoegd om een idee te geven van de hoogte van de Brandwijkse Donk en een aantal overstromings hoogten. Wat opvalt, is dat de waterhoogten van de overstromingen in het verleden veel hoger waren, dan in b.v. 1953. Je moet er rekening mee houden, dat in die eeuwen het veen is ingeklonken. Dit was ca 2 tot 3 cm per jaar. Deze paal wordt tevens gebruikt als zonnewijzer, uiteraard wintertijd. Om 12 uur staat de zon in het zuiden. Je kan zien, dat de insectenmuur, rotstuin en paddenpoel op het zuiden zijn gebouwd. 30. Tuin om gebouw (top pagina ↑) Om het gebouw is een tuin ontworpen en aangelegd door dhr. Niek Koppelaar in samenwerking met knotgroep Giessenstreek. Hij heeft hiervoor vooral inheems plantenmateriaal gebruikt, dat redelijk onderhoudsarm is. Toch moet continue aandacht worden geschonken aan de tuin. Vooral de omgeving van het Alblasserbos alsmede de aangrenzende weide gronden zorgen voor een grote aanvoer van (on)kruidenzaden en voor veel werk. Uiteraard zullen in de loop van de tijd plantensoorten verdwijnen en door andere planten worden vervangen. Bij de ingang - aan beide zijden van het hek - staat een notenboom. Het was vroeger gebruikelijk bij de boerderij een notenboom te plaatsen. Vaak werden vele kilo’s noten geoogst die, tijdens de lange winterdagen w.o. Kerst en nieuwjaar, voor de nodige feestvreugde zorgde. De heg aan de westzijde bestaat uit meidoorn. Wij willen die door laten groeien, zodat in de toekomst tijdens het voorjaar de bloemen mogen bloeien voor de insecten en de vogels een plaatsje voor hun nesten kunnen vinden. Er is een kleine ligusterheg bij de brug voor insecten. Wij hopen op de ligusterpijlstaart. De rupsen van deze vlindersoort kunnen poepjes produceren met de grootte van muizenkeutels. Ook de overige planten dienen om de insecten van dienst te zijn. Op de schermbloemige tref je vaak allerlei soorten vliegen en kevers aan, die met hun korte tongen van het stuifmeel snoepen. De bloemen met de diepere kelken worden vaak door vlinders, bijen en wespen bezocht. Ga - bij zonnig weer - eens op onderzoek uit. Aan de achterzijde van het pand wordt een uilenbord geplaatst. Tevens zullen in het bos op diverse plaatsen nestkasten worden aangebracht. Kijk ook eens naar het zuiden de skyline van de Betuwelijn en bebouwing van de uitlopers van de randstad. Kijk daarna naar het oosten .... Het Groene Hart. 31. Helofytenfilter (top pagina ↑) Misschien denkt u, dat heel Nederland is aangesloten op het rioleringssysteem. Dat is niet zo. Uit milieu- en kosten overweging hebben wij achter ons gebouw een helofytenfilter aangelegd. Het voordeel is dat het afvalwater dicht bij de bron wordt gezuiverd. Het doorgespoelde afval uit keuken en toiletten wordt opgevangen in een ondergrondse, voorzuiverende septic tank, achter het gebouw. In het grasveld is een helofytenfilter gegraven. Dit is een S-vormige "sloot". met een bodem van zand. Helofyten zijn moerasplanten, die in ondiep water groeien en in de bodem wortelen. Voorbeelden: riet, lisdodde, biezen, zeggen etc. Veelal wordt riet ingezet, omdat deze plant goed bestand is tegen zware of wisselende (chemische) belasting, ze wortelen zeer diep. Per persoon is tussen de 3 tot 5 m2 oppervlakte noodzakelijk. De werking is als volgt: Tussen de rietwortels ontwikkelen zich grote concentraties bacteriën, die de afvalstoffen in het water zeer efficiënt afbreken. De bacteriegroei wordt bevorderd door de rietstengels, die als "snorkels" zuurstof uit de lucht opnemen en naar de wortels transporteren. Verder van de wortels is de bodem zuurstofarm en daar bevinden zich andere bacteriën, die geen zuurstof nodig hebben. De unieke combinatie van bacteriesoorten zorgen voor een groot zuiverend vermogen. Een Helofytenfilter is goed in staat fosfaten en stikstof uit het afvalwater te verwijderen. De levensduur van een filter is meer dan 25 jaar, waarna de grond moet worden vervangen. Ook in de winter blijft het filter functioneren bij een bodemtemperatuur van minimaal 5 graden. Door het toevoegen van warm afvalwater (uit de keuken) wordt deze temperatuur veelal wel gehaald. Door het eenmaal in de twee jaar maaien blijft het filter in tact. Aan het einde van de "S" wordt het water in de sloot geloosd op het oppervlakte water. Schadelijk zijn aardolieproducten, ontsmettingsmiddelen, chloor en gootsteenontstoppingsmiddelen. Wasmiddelen geven geen problemen.
32. Essenhakhout (top pagina ↑) Het essenbos achter ons gebouw is ca 15 jaar geleden aangeplant. Normaal gesproken wordt aan een dergelijk bos de eerste 40 jaar niets gedaan. Pas daarna worden er bomen tussen uit gehaald en na 100 jaar krijgt het bos pas natuurwaarde. Het zijn dan ook interessante bossen. Wij hebben een deel van het bos omgezet in hakhout (rondom het centrum). Dit om meer ruimte om het pand te krijgen voor de zwaluwen. Ook willen wij de natuurwaarde in een kortere termijn op een hoger plan te brengen. In de Alblasserwaard is essenhakhout niet zo gebruikelijk. In het essenhakhout leven veel vogelsoorten zoals tuinfluiter, fitis, winterkoning, mezen ea. Omdat het bos jong is plaatsen wij ook een aantal verschillende soorten nestkasten. In de zomerdag is, door de hoog opgroeiende kruiden, het bos niet te betreden. In de winterdag wordt eventueel geriefhout uit het bos gehakt. Indien geen geriefhout voor de educatieve tuin nodig is, laten wij het doorgroeien om het na een aantal jaren te oogsten en als brandhout te verkopen. 33. Hoogstamboomgaard (top pagina ↑) Wij hebben tussen het pad naar de tuin en de ligweide elf vruchtbomen van oude rassen geplant. Dit soort bomen werden in het verleden veel bij de boerderij in de Alblasserwaard aangeplant. Je vindt ze veelal op dijktaluten of dicht bij de rivier. Daar is de kleilaag dikker, wat veel beter is voor de bomen. Ook in Papendrecht was redelijk wat fruitteelt. Het Oostpark was vroeger voor een groot deel boomgaard. Geplant zijn peer, appel, pruim en een moerbeiboom. Deze moerbeiboom geeft vruchten, die lijken op grote aardbeien en zijn honing zoet. Veel soorten bloeien niet elk jaar en geven dus niet ieder jaar vrucht. Deze bomen hebben het niet gemakkelijk, omdat zij hier op veen staan. De groei van deze bomen worden door een deskundige begeleid. Deze boomgaard is bijzonder interessant voor de insecten, immers rottende vruchten zijn ideaal voedsel voor vele soorten vlinders en andere insecten. Die was de rand van het essenbos bij de ingang van de tuin. Hoge bomen groeide direct langs het pad. Dit bos was opgezet als productiebos. In de afgelopen jaren zijn de inzichten inzake bosbeheer bij SBB drastisch gewijzigd. In de nabije toekomst zullen veel bomen worden geringd of verwijderd, zodat de andere bomen meer ruimte krijgen. Ook wordt het mogelijk, dat andere bomen zich kunnen vestigen. Een goede opbouw met een struiklaag is noodzakelijk. Hiervoor is zo veel mogelijk vruchtdragende beplanting gebruiken zoals: Braam; Sleedoorn, Meidoorn; Vuilboom; Els; Hazelaar; Eik; Liguster; Linden; Vlier. Na een eerste inplant in het jaar 2000, die maar partieel is aangeslagen, zal een tweede inpoot plaatsvinden. Deze bomen worden eerst verder voorgetrokken, omdat de brandnetel soms tot 1,5 meter groeit. Met een gefaseerd maaiprogramma wordt geprobeerd een goed onderhoud te plegen. Deze rand dient een goede leefgemeenschap te vormen voor de insecten uit de tuin. Op het dak zijn 8 zonnepanelen geplaatst. Ze halen energie uit de zonnestraling. Deze stroom wordt door ons gebruikt. Wat over blijft gaat naar het energienet. In de hal kunt u zien wat er wordt bespaard.
Leen den Ouden 078-6153280
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||