Dagvlinders in de Alblasserwaard
Van de vlinderfauna van de Alblasserwaard zijn vrijwel geen gegevens van vroeger bekend.
Vooral vergelijkingen van het aantal exemplaren per soort zijn daarom zeer moeilijk. Het
is al heel mooi, wanneer de vroegere aanwezigheid van een soort is vast te stellen.
Het verschil tussen de Alblasserwaard, vroeger en nu, als leefgebied voor plant en dier en
in het bijzonder de vlinders, is het gevolg van de veranderingen in het landgebruik.
Wat wij nog aantreffen van het schitterende blauwgrasland- en het griendengebied, zijn
slechts kleine reservaatjes. De veranderingen hebben vooral plaatsgevonden na 1945, toen
men op grote schaal begonnen is met kunstmest, onkruidbespuiting, ontginnen van grienden
en diepere ontwatering. Dit heeft onder andere geleid tot andere levensomstandigheden voor
planten en dieren in onze streek.
In de Alblasserwaard kwamen bijvoorbeeld plantensoorten voor die hier ooit eens algemeen
waren, bijvoorbeeld de harlekijnsorchis, de kievitsbloem, het zomerklokje, het rilgras, de
grote ratelaar, spaanse ruiter, enz. Het was nog na de Tweede Wereldoorlog dat de
schoolkinderen met armen vol kievitsbloemen langs de huizen liepen in Goudriaan en
Groot-Ammers. De zomerklokjes werden gerooid en verkocht. Veel van deze schoonheden uit
onze (vochtige) graslanden zijn door de kunstmest verdwenen. De bonte weidepercelen hebben
plaatsgemaakt voor eentonige graslanden met zaaigrassoorten.
Met het verdwijnen van planten, verdwijnen complete levensgemeenschappen. De ene
plantensoort leeft daar dankzij een andere plantensoort. Een dier (bijvoorbeeld insect -
een rups van een vlinder) is weer afhankelijk van een bepaalde plantensoort. Een groter
dier (bijvoorbeeld een vogel) leeft weer van insecten die op een bepaalde plant voorkomen.
In de blauwgraslanden met hun bijzondere plantenwereld leefden twee soorten
parelmoervlinders. Deze schitterende vlinders met hebben aan de onderkant van de vleugels
zilverkleurige vlekken, vandaar de naam parelmoervlinders.
De rupsen voeden zich met viooltjes. De grootste van de twee is de grote parelmoervlinder.
Deze vliegt in juli en augustus in één generatie. Deze soort overwintert als klein
rupsje dat kort na de overwintering begint te eten. Deze soort is in het blauwgrasland in
geheel Nederland uitgestorven en is nu alleen nog op Texel en op de Veluwe terug te
vinden. Tot 1950 was de grote parelmoervlinder nog in de Krimpenerwaard aanwezig.
Van het tweede soort de zilveren-maan (Clossiana selene) heeft de laatste populatie in
onze waard in1959 opgehouden te bestaan. Deze soort vliegt in mei, juni en van
juli-september in twee generaties. De zilveren-maan overwintert als half volwassen rups in
een omgekruld blad. Door het verdwijnen van de blauwgraslanden komen deze twee soorten
parelmoervlinders helaas niet meer in de Alblasserwaard voor.
Sommigen van ons herinneren zich misschien nog de prachtige Koninginnepage die ten tijde
van de oorlogsjaren nog zo gewoon was! Deze soort werd ook veel in de groentetuin
waargenomen en met een beetje geluk kon je dan zien dat het wijfje op de peen eitjes
afzette. Deze schitterende kapel kwam je ook tegen langs de dijken, begroeid met wilde
peen, deze diende ook als voedselplant voor de rupsen. Nu zijn deze veldsieraden helaas
zeldzaam geworden, je vindt ze in onze streek alleen zwervend. Ook het oranjetipje, het
witje met de oranje vleugeltoppen altijd druk in de weer op zonnige meidagen is voor 99%
verdwenen. De rups leeft op pinksterbloem en look-zonder-look. Vroeger vloog de oranjetip
bij honderden tot duizenden over weilanden.
Tot zover een kleine indruk van die overvloed waar de natuurkenner Thijsse destijds over
sprak en waarover wij nu nog kunnen lezen. Behalve het verdwijnen van twee
parelmoervlindersoorten - in de Alblasserwaard - zijn ook bijna alle overige
dagvlindersoorten achteruitgegaan. Deze achteruitgang is per soort verschillend.
Van enkele soorten is er gelukkig ook wat positiefs te vertellen. Bijvoorbeeld het
citroentje is in aantal gelijk gebleven en zelfs hier en daar wat vooruitgegaan. In
Nederland is het overal (vooral in bosgebieden) een algemeen voorkomende soort, zelfs waar
de voedselplant voor de rups, de wegedoorn, niet groeit. Deze vlinder is van nature nogal
zwerflustig en wordt hier in de Alblasserwaard aangetroffen. Het is een soort die als
vlinder overwintert, en die soms op zonnige dagen in januari en februari vliegt op
beschutte plaatsen. In maart wordt hij bijna elk jaar gezien, soms nectar zuigend op
wilgenkatjes of klein hoefblad. Later op speenkruid, paarse dovenetel of paardebloem.
Kleine vos
Rond die tijd vliegen in onze Waard nog twee of zelfs drie overwinterende soorten: kleine
vos, dagpauwoog en met een beetje geluk de gehakkelde aurelia. Een soort die vooruit is
gegaan is het vuilboomblauwtje, onder andere meer aanplant van de voedselplant de vuilboom
(of sporkehout) en kardinaalsmuts. Kom regelmatig op bezoek in de bloementuinen en is het
meest te zien op guldenroede. Je ziet ze vooral dichtgevouwen met een lichtblauw-grijze
onderzijde met een aantal donkere stippen. De vlinder overwintert als pop en vliegt vanaf
maart/april. En tenslotte zijn er nog twee vossen vooruit gegaan de dagpauwoog en
landkaartje, twee soorten die de brandnetel als voedselplant hebben. De dagpauwoog is een
bekende vlinder op de vlinderstruik en hemelsleutel in onze tuinen. Deze vlinder met zijn
prachtige gekleurde ogen, zowel op de voor- als achtervleugel, is een van de fraaiste
dagvlinders. Deze kapel was in augustus van 1985 nogal talrijk te zien op leverkruid en
distels. Zo zag ik op 13 augustus op een leverkruidplant 30 dagpauwogen. Enkele exemplaren
werden nog tot in eind oktober en begin november gezien, om daarna als vlinder op een
beschutte plaats te overwinteren. Ze gaan weer vliegen op de eerste zonnige dagen met een
temperatuur van ca. 15°C.
Landkaartje (voorjaarsgeneratie)
De tweede vos die vooruit is gegaan, is het landkaartje. Deze was voor 1950 uiterst
zeldzaam in onze streken en begon zich daarna vanuit het zuiden langzaam uit te breiden en
is nu plaatselijk vrij algemeen en verbreid door het gehele land. Het heeft zijn
verspreidingsgebied sinds die tijd aanzienlijk uitgebreid. Heel bijzonder zijn de twee
totaal verschillend gekleurde generaties. De kleinere voorjaarsgeneratie is overwegend op
de bovenzijde oranje met een uitgebreid patroon van zwarte vlekken. De wat grotere
zomergeneratie is op de bovenzijde voor het grootste deel zwartbruin met lichte banden.
Van deze vorm heeft de pop veel licht gehad in tegenstelling tot de voorjaarsgeneratie die
overwinterde met korte lichtdagen. De kleuren van de zomergeneratie zijn typerend voor
bosvinders die vliegen wanneer de bomen in hun volle blad staan. Het landkaartje kan men
aantreffen in die gebieden waar ook het oranjetipje voorkomt. Dat zijn vooral randen van
grienden, houtkades of dergelijke luwte gevende houtopstanden, waarvan deze vlinders
profiteren. Een voorwaarde voor het landkaartje is ook de aanwezigheid van de brandnetel.
Gunstige weersomstandigheden kunnen ook wel eens voor veel vlinders zorgen, zoals
bijvoorbeeld de zomer van 1982. De prachtige dieren kwamen in zulke aantallen voor, dat
menigeen er zich over verbaasde. Behalve dat de algemene vlindersoorten zoals het
koolwitje, kleine vos en de dagpauwoog zich in de zomer van 1982 in grote aantallen
vertoonden, waren de kansen op zwervende en trekkende vlinders ook een stuk groter. Maar
verrassingen zijn natuurlijk ieder jaar mogelijk.
In de Alblasserwaard zijn in de jaren 1975-1985 de volgende 25 soorten dagvlinders
gesignaleerd: Geelsprietdikkopje (S) Koninginnepage (ZT) '85 Gele luzernevlinder (ZT) '82
Oranje luzernevlinder (ZT) '83-'84 Citroenvlinder (ZT) alle jaren Groot koolwitje (S)
Klein koolwitje (S) Klein geaderd witje (S) Oranjetipje (S) Kleine vuurvlinder (S)
Bruinblauwtje (S/ZT) Icarusblauwtje (S) Boomblauwtje (S) Atalanta (ZT) alle jaren
Distelvlinder (ZT) wisselend '85 Kleine vos (S) Rouwmantel (ZT) '84 Dagpauwoog (S)
Gehakkelde aurelia (ZT) bij elk jaar '85 Landkaartje (S) Kleine parelmoer vlinder (ZT) '76
Argusvlinder (S) Hooibeestje (S) Oranje zandoogje (ZT) '82-'83 Bruin zandoogje (ZT) '82
Alle waarnemingen werden gedaan door: R. Barten, J.H. Bot, H. de Groot, F. Hamerpagt, W.
Jongejan, T. Klein, P. van Meerkerk, J. Trapman, D. Tiedema, J. en M. Tromp e.a. Met dank
aan alle vlinderaars!