Hoe is het in 2009 met de weidevogels in de Alblasserwaard gegaan?

 

Bedrijven en vrijwilligers.

De 40 actieve vrijwilligers hebben op 90 agrarische bedrijven meegeholpen met het opsporen en zo nodig beschermen van de nesten van de weidevogels. Vier vrijwilligers begonnen in 2009 met nesten zoeken en vijf vrijwilligers zijn gestopt. Van 102 bedrijven werden legselgegevens ontvangen en verwerkt in de database. Van 19 bedrijven werden geen nestgegevens ontvangen of zijn geen nesten gevonden.  Van 12 nieuwe bedrijven werden nestgegevens ontvangen. De totale oppervlakte kwam uit op 3.774 ha; waarvan 3.444 ha grasland, 311 ha maïsland en 19 ha graan en  overig land.

 

Polders en hectares afgezocht land.

In 38 polders werden weidevogelnesten gevonden en geregistreerd. Uit polder Molenaarsgraaf werden van 365  ha de nestgegevens ontvangen. Uit polder Streefkerk van 356 ha. En polder Noordzijde van Noordeloos eindigde met 341 ha afgezocht land op de derde plaats. In Nieuw-Lekkerland waren op 262 ha agrariërs met weidevogelbescherming actief. Nestgegevens werden ontvangen van polder: Brandwijk 196 ha, Peursum 141 ha, Bleskensgraaf 132 ha, Den Beemd 174 ha, Groottewaard (Noordeloos) 172 ha, Lage Giessen 124 ha, Binnentiendwegs (Giessenburg) 121 ha. Van nog 27 polders werden nestgegevens ontvangen met een oppervlakte < 100 ha. 

 

Activiteiten vrijwilligers.

Veertig vrijwilligers hebben actief gezocht naar weidevogelnesten. 26 vrijwilligers waren actief op 1 bedrijf, 3 op 2 bedrijven, 2 op 3 bedrijven, 1 op 4 bedrijven, 3 op 5 bedrijven, 4 op 6 bedrijven en 1 op meer dan 6 bedrijven. Vijf vrijwilligers zoeken geen nesten maar zijn actief als alarmteller. Eén vrijwilliger beheert het materiaal: markeerstokken, nestbeschermers en sleepslanglichters.  7 vrijwilligers registreren legselgegevens op bedrijfsniveau in de database. Eén vrijwilliger onder- houdt de database op groepsniveau en voert van bedrijven ook nestgegevens in. Vier vrijwilligers zijn actief als mentor en nemen beginners mee het veld in om kennis over te dragen. Een viertal clusterhoofden onderhoudt contacten met agrariërs in hun cluster en verzamelen na afloop van het seizoen de legselgegevens. Er is een 'harde kern' van zo'n acht ervaren vrijwilligers die ondersteunende hand- en spandiensten verlenen. En waar te allen tijde een beroep op gedaan kan worden.

 

Resultaten 2009

Van 13 soorten werden in totaal 2194 nesten gevonden. Van 1844 nesten (84%) is de afloop (uit, niet uit) geregistreerd.1405 nesten (76.2%) zijn genoteerd als uit en 439 nesten (23,8%) als niet uit. Verliesoorzaken: predatie 195 nesten (10,6%), beweiding 7 nesten (0,4%), werkzaamheden 37 nesten (2%), verlaten 100 nesten (5,4%), overig 6 nesten (0,3%), onbekend 94 nesten (5,1%).

We gaan er van uit dat een groot deel van de 94 nesten met verliesoorzaak 'onbekend' ook predatie betreft. Opgeteld betreft predatie en 'onbekend'  289 nesten (15,7%). De som van predatie en 'onbekend' in 2008 bedraagt 302 nesten (14,6%). De predatie van 2000 tot en met 2009 is gemiddeld 11,8%. De 10,6% predatie in 2009 is wat lager dan het 10-jarig gemiddelde. In de waard schommelt de predatie van weidevogelnesten tussen de 10 en 20%. In muizenarme jaren is de predatie van weidevogelnesten hoger dan in muizenrijke jaren.

 

Dichtheden in 2009 voor de Alblasserwaard

De dichtheid van de broedparen per 100 ha (bouwland, grasland en overigland, totaal 3.774 ha) en gecorrigeerd voor vervolglegsels was voor de grutto 8,8 (2008: 12,4), kievit 24,9 (2008: 30), scholekster 2,7 (2008: 2,4), tureluur 2,1 (2008: 2,2) en slobeend 0,55 (2008: 0,87). De dichtheid was voor alle soorten lager dan in 2008 en wordt negatief beïnvloed doordat op 19 bedrijven geen nesten werden gevonden of geen nestgegevens werden ingezameld. De dichtheid op bouwland en overig land (totaal 330 ha) van de broedparen/100 ha was voor de grutto 2,4 (2008: 5,8), kievit 193,3 (2008: 217) en voor de scholekster 13,3 (2008: 12,4). De dichtheid van de broedparen/100 ha op 3.444 ha grasland was voor de grutto 9,4 (2008: 12,9), kievit 8,7 (2008: 15), scholekster 1,7 (2008: 1,6), tureluur 2,3 (2008: 2,4) en voor de slobeend 0,48 (2008: 0,9). Duidelijk is dat bouwland en vooral maïsland een grote aantrekkingskracht heeft op kieviten en scholeksters om er te gaan broeden. En op het grasland gaan weer veel grotere aantallen grutto's, tureluurs en slobeenden een nest maken.

 

Soorten per bedrijf

Van 102 bedrijven werden legselgegevens ontvangen. Op 14 bedrijven werden de nesten van 1 soort gevonden, 28 bedrijven vonden nesten van 2 soorten, 28 bedrijven vonden nesten van 3 soorten en op 32 bedrijven werden de nesten van minimaal 4 soorten aangetroffen en geregistreerd. Nesten van meerkoeten, knobbelzwanen, ganzen en wilde eenden worden meestal niet geregistreerd. Op 89% van de bedrijven werden nesten van kievit gevonden. Gruttonesten waren op driekwart van de bedrijven aanwezig. Op tweederde van de bedrijven werd het broeden van de scholekster vastgesteld. Het nest van de tureluur werd op 37% van de bedrijven gevonden. Slobeendennesten werden op 16% en zomertalingnesten op 4% van de bedrijven aangetroffen. Een nest van de graspieper werd op 3% van de bedrijven gevonden en het nest van de kuifeend, visdief en veldleeuwerik werd ontdekt op 1% van de bedrijven. Broedende graspiepers en veldleeuweriken zijn op veel meer bedrijven aanwezig. Maar het vinden van de nesten van deze soorten is meestal een stuk lastiger. De geluksfactor speelt bij het vinden van een graspieper- en veldleeuweriknest vaak een grote rol. Ook het traceren van het nest van slobeend, kuifkeend en zomertaling wordt vaak als tijdrovend en daardoor als lastig ervaren.

 

Aantalsontwikkeling bepaald met BMP-monitoring

In het voorjaar van 2006 en 2009 is de weidevogelstand  bepaald met behulp van een onafhankelijke BMP-monitoring. Met deze methode is het mogelijk om betrouwbare gegevens te verzamelen over de aantallen broedparen. De BMP-monitoring is gericht op de aantallen broedparen en niet op de aantallen nesten. Om vervolglegsels zo veel als mogelijk uit te sluiten werden de landelijke standaardregels in acht genomen. In de gebieden van Benschop Rentmeesters die zowel in de Alblasserwaard als in de Vijfheerenlanden liggen zijn in 2009 op 3798 hectare 2183 broedparen geteld die geldig zijn voor de PSAN. De dichtheid van 57,5 broedparen per 100 ha betekent een afname van 5 à 6 procent per jaar in het PSAN-gebied van Benschop Rentmeesters. De dichtheden per soort en per 100 hectare (tussen haakjes de dichtheid in 2006) zijn: graspieper 0,9 (2,9), grutto 10,9 (12,4), kievit 35,8 (41,7), krakeend 0,7 (1,0), kuifeend 0,8 (0,7), scholekster 4,8 (5,3), slobeend 0,6 (0,8), tureluur 2,0 (2,3), veldleeuwerik 0,8 (1,5) en overig 0,2 (0,2). Opvallend is de onverklaarbare afname in dichtheid van de graspieper en de veldleeuwerik. Wat ook opvalt is dat de dichtheid die is bepaald door de BMP-monitoring hoger is dan dan de dichtheid die is berekend met het aantal gevonden nesten. De oorzaak van dit verschil zou kunnen zijn dat niet alle nesten gevonden worden. Of dat niet alle aanwezig vogels overgaan tot het leggen van eieren. Gegevens van de BMP-monitoring in het PSAN-gebied van Den Hâneker waren op het moment van schrijven van dit verslag, helaas, nog niet beschikbaar.

 

Is er toekomst voor de weidevogels?

In de gebiedsvisie Alblasserwaard-Vijfheerenlanden “Samen werken aan een duurzame toekomst” die eind 2009 van de pers is gerold staan in hoofdstuk drie een aantal projecten beschreven. Het eerst beschreven project heeft als titel: “Verbetering van het landschap, versterking van de natuur.” “Actie: een initiatiefgroep wil binnen anderhalf jaar tot een breed gedragen uitvoeringsplan met een langjarige financieringsregeling komen. Het initiatief mikt op de volgende doelen binnen 10 jaar:

-        gerealiseerde ecologische verbindingen (bijvoorbeeld Kinderdijk-Zouweboezem);

-        stabiele weidevogelpopulatie;

-        minder opgaand bos en beplanting; meer hakhout (met onderhoudssubsidie);

-        50% van de slootkanten ondergebracht in agrarisch natuurbeheer;

-        monitoren en evalueren van natuur en landschap;

-        verbeterde ecologische waterkwaliteit.

Voor samenwerking uit te nodigen partijen zijn in ieder geval: de overheden, agrariërs, overige grondgebruikers; natuurbeherende organisaties, natuur- en vogelwachten, Den Hâneker, vrijwilligers. Als eerste stap wil de projectgroep tot een uitvoeringsplan komen.”

Er is een visie en een project dat oproept tot actie. En er zijn nog weidevogels die terugkeren uit de overwinteringsgebieden om hier te gaan broeden, maar de tijd dringt.

 

Jan Andeweg

e-mail: ja.andeweg@telfort.nl