Reactie op uitzending Zembla over kalversterfte op 17 oktober

Het programma Zembla meldde donderdag 17 oktober in de uitzending over kalversterfte dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) niet bereid was om het programma te woord te staan. De NVWA heeft de vragen van Zembla over dit onderwerp echter schriftelijk beantwoord, zie hier onder.

Beantwoording vragen Zembla over kalversterfte (d.d. 14 oktober)

In het algemeen

Het welzijn van de dieren op veehouderijen is de verantwoordelijkheid van de sector. De NVWA houdt hier toezicht op. Wij doen dit risicogericht en zetten onze menskracht in daar waar de risico’s voor het dierenwelzijn het grootst zijn. Indien wij op basis van regelgeving of wet een grond hebben voor handhaving, treden wij bestuurs- of strafrechtelijk op waarbij maatregelen proportioneel en billijk dienen te zijn en door een rechter getoetst kunnen worden.

Kalversterfte

Jullie schrijven in de Integrale Risicoanalyse Zuivelketen 2017 dat jullie je zorgen maken om de kalversterfte. Hoe staat het momenteel met de kalversterfte? Het antwoord op deze vraag vind je in 2 Kamerstukken:

  1. De beantwoording van de vragen van het lid Ouwehand (PvdD) over de hoge sterfte en mishandeling van kalfjes die geboren worden in de melkveehouderij en de antwoorden op de vragen die de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft gesteld over kalversterfte.
  2. De beantwoording van vragen uit de vaste  Kamercommissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Zoals jullie schrijven bestaat hier geen norm voor. Welke middelen gebruikt de NVWA om dit toch te bestrijden? 

Kalversterfte is geen direct onderdeel van het Besluit houders van dieren en de Wet dieren; er is in de regelgeving geen norm opgenomen voor sterfte. Wel is het verboden aan dieren de nodige zorg te onthouden en dienen zieke of gewonde dieren op een passende wijze verzorgd te worden en een toereikende behuizing te hebben onder voldoende hygiënische omstandigheden. De NVWA heeft hier een grond voor handhaving.

Waarom zijn jullie in 2016 het 'project sterfte op melkveebedrijf’ gestart?

Verhoogde sterftepercentages bij het aselecte project Welzijn melkvee in 2016 waren aanleiding om in 2017 een risicogericht project hoge kalversterfte te starten.

Wat kwam hieruit?

Uit de risicogerichte welzijnsinspecties in 2017 op melkveebedrijven met hoge kalversterfte komt het ontbreken van een hygiënische afkalfstal naar voren als een aandachtspunt. Op 9 bedrijven was geen afkalfstal aanwezig en op 17 bedrijven was deze wel aanwezig, maar werd niet na elk gebruik volledig gereinigd, maar vaak wel opgestrooid. Op 11 bedrijven was de hygiëne van de kalverhuis­vesting matig, op 5 bedrijven onvoldoende. Op veel bedrijven staat de ziektestatus voor een bepaalde ziektes op ‘onbekend’ zoals blijkt uit het bedrijfsgezondheidsplan, namelijk bij 47% voor Infectieuze rhinotracheïtis (IBR), bij 39% voor Salmonellose, bij 17% voor Paratuberculose en bij 50% voor Bovine Virus Diarree (BVD).

Ook is het bedrijfsgezondheidsplan soms te summier, dan wel onvoldoende bedrijfsspecifiek of wordt het niet altijd opgevolgd door de veehouder. Hier ligt de grootste potentie voor de houder om de kalversterfte omlaag te brengen: het opvolgen van de adviezen van de dierenarts.

In 2017 deden jullie o.b.v. dit project risicogerichte inspecties bij melkveebedrijven. Hoe staat het nu met dit project? Welke resultaten heeft deze aanpak opgeleverd?

Het project uit 2017 is afgerond. De resultaten daarvan zijn gepubliceerd middels het document 'inspectieresultaten welzijn melkvee 2016-2017' (zie ook voorgaande vraag). Van de 39 bedrijven die in het project zijn geselecteerd lieten 8 bedrijven onvoldoende daling in hun kalversterftepercentage zien. Op dit moment loopt bij deze bedrijven een nieuwe inspectieronde. Op basis van een doelgroepanalyse wordt een passende handhavingsmix opgesteld. Over het verloop van het onderzoek kunnen we op dit moment nog geen mededelingen doen.

IBR & BVD

Wat zijn de laatste prevalentiecijfers van BVD en IBR bij vleeskalveren?

De prevalentiecijfers voor BVD zijn bij vleeskalveren 59,0% en voor IBR 11,9% en komen uit de modelleringsstudie IBR en BVD in 2016 van de WUR en GD Rapportnummer: 1702159. De modelstudie IBR/BVD is uitgevoerd in het kader van One Health for Food. Dit is een onderzoeksprogramma waarin bedrijfsleven en overheid gezamenlijk onderzoek financieren ten bate van hogere diergezondheid, beter dierenwelzijn, verduurzaming van de veehouderij en veilige voedselproductie. Een soortgelijke studie naar IBR en BVD is niet eerder in Nederland uitgevoerd.

Wat zijn de grootste risico’s voor het ontstaan deze 2 infectieziekten?

Voor IBR: de aanwezigheid van besmette runderen; de aanvoer van besmet rundvee; contacten met rundvee zonder IBR-vrijstatus; bezoekers die beroepsmatig op het bedrijf komen; besmetting via de lucht; rundveemanifestaties et cetera. Voor BVD: de aanwezigheid van besmette runderen, de aanvoer van besmette runderen (BVD virusdragers), contacten met andere runderen bijvoorbeeld via beweiding contact met vee van de buren, shows, markten en tentoonstellingen, bezoekers die beroepsmatig op het bedrijf komen en andere vormen van insleep. Zie voor verdere achtergrondinformatie website IBR BVD.

In de Modelleringsstudie van WUR & GD lees ik dat de import van kalveren een grote rol speelt. Onderschrijven jullie dat?

NVWA kan de uitspraak namelijk dat de import een grote rol speelt, met de huidige beschikbare gegevens niet onderbouwen, de import van kalveren kan wel een factor van introductie van de ziekte zijn. Zie ook antwoord op volgende vraag.

Hoe voorkomt de NVWA dat er besmette vleeskalveren geïmporteerd worden? Worden vleeskalveren bijvoorbeeld voor een internationaal transport bij vertrek gecontroleerd op dierziekten?

De officiële dierenarts van het exporterende EU land geeft na pre exportonderzoek van de dieren de garantie op het exportcertificaat door middel van handtekening en afgifte van het certificaat dat de dieren ziektevrij zijn en volgens de EU export regels voor dierziekten en dierenwelzijn getransporteerd mogen worden naar Nederland.

Volgens de GD zijn beide ziekten in Nederland endemisch. Waarom lukt het niet om prevalentie van deze ziekten terug te dringen?

De aanpak is op dit moment alleen verplicht voor melkveebedrijven vanuit de protocollen van ZuivelNL, de deelname voor vleeskalverbedrijven is vrijwillig. Daarom werkt het ministerie van LNV momenteel aan de landelijke en wettelijk verplichte bestrijding van IBR.