Aanvullende vragen gebruik antibiotica in de veehouderij

Onderstaand een overzicht van de veelgestelde vragen en antwoorden over het gebruik van antibiotica in de veehouderij. Deze aanvullende vragen en antwoorden hebben betrekking op de wijziging in de UDD-regeling (over de toepassing van 2e keuze middelen) die vanaf 1 januari 2017 geldt.

Vanaf 1 januari 2017 mag een veehouder, zijnde een melkveehouder, vleeskalverhouder of varkenshouder, 2e keuze middelen voor maximaal 3 bedrijfsspecifieke aandoeningen voorhanden hebben waarbij acuut handelen noodzakelijk is. De aandoeningen en de middelen moeten staan beschreven in het bedrijfsbehandelplan. In het bedrijfsgezondheidsplan moet staan waarom het noodzakelijk is en wat er aan gedaan wordt om de noodzaak te verminderen. De regels met betrekking tot 2e keuze middelen inzake de behandeling van mastitis blijven onveranderd.

Voorradig hebben van 2e keuze middelen

Als voor 2 bedrijfsspecifieke aandoeningen dezelfde 2e keuze middelen ingezet kunnen worden mag er dan 2 keer de maximale hoeveelheid op voorraad zijn?

Nee, dan geldt de maximale hoeveelheid van 1 aandoening. Er kan dus niet gestapeld worden.

Waarom zijn de maximale percentages 2e keuze middelen die beschikbaar mogen zijn op een bedrijf verschillend qua bedrijf, stal of afdeling?

De hoeveelheid 2e keuze middelen, die voor bedrijfsspecifieke aandoeningen op een bedrijf aanwezig mogen zijn, is afhankelijk van de veterinaire eenheid. Bij vleeskalveren is dat op stalniveau, bij melkveerunderen op bedrijfsniveau en bij varkens op afdelingsniveau.

In welke toepassingsvorm mag de toegestane hoeveelheid eerste en tweede keus middelen op het bedrijf aanwezig zijn?

Dit mag elke toepassingsvorm zijn (per injectie, topdressing of door drinkwater). Uitgangspunt is dat slechts individuele dieren bij acute noodzaak behandeld kunnen worden en niet een hele stal of afdeling.

Inzetten van 2e keuzemiddelen door veehouder

Wat is de hoogrisicoperiode?

De hoogrisicoperiode is een periode waarin het belangrijk is dat de veehouder en de dierenarts de gezondheid van jonge dieren zeer nauwlettend volgen als er op een bedrijf sprake is van bedrijfsspecifieke aandoeningen, waarbij acuut handelen noodzakelijk is en waarvoor de veehouder mogelijk 2e keuze middelen moet inzetten. Het gaat om vleeskalveren tot een maximale leeftijd van 10 weken na aankomst van het 1e (melkvee) bedrijf tot 6 weken na opzet en biggen tot een leeftijd van 8 weken. In deze periode blijft het 2-wekelijks bedrijfsbezoek verplicht als een veehouder 2e keuze middelen voorhanden heeft. Het contactmoment geldt dan niet.

Hoe moet tijdens de hoogrisicoperiode de identificatie van de mogelijk te behandelen dieren met 2e keuze antibiotica worden uitgevoerd?

De identificatie van de vatbare dieren die mogelijk behandeld moeten worden staat in de schriftelijke instructie van de dierenarts. De registratie in deze instructie geschiedt indien mogelijk op individueel dierniveau, anders op hok of afdelingsniveau.

Is een contactmoment verplicht bij iedere behandeling van een ziek individueel dier met een 2e keuzemiddel?

Als de instructie door de dierenarts is afgegeven en de veehouder deze volgt, hoeft er niet voor elke afzonderlijke toediening contact te worden opgenomen.

Hoe lang is de instructie van het contactmoment geldig?

De dierenarts bepaalt hoe lang de instructie en daarmee het contactmoment voor de bedrijfsspecifieke aandoening geldig is. Datum van het contactmoment moet in de instructie door de dierenarts vastgelegd worden.

Moet een veehouder met de 1-op-1 dierenarts contact opnemen (contactmoment) of kan dat ook de vervangende dierenarts of de dierenartsen praktijk zijn?

In principe is de 1-op-1 dierenarts verantwoordelijk voor het geven van de toestemming om tot behandeling met 2e keuze middelen over te gaan en het afgeven van de schriftelijke instructie. In de 1-op-1 overeenkomst die de dierenarts en de veehouder hebben afgesloten is aangegeven welke dierenartsen als vervangende- of spoeddierenarts zijn aangewezen. In geval de 1-op-1 dierenarts niet bereikbaar is kan de veehouder met deze dierenartsen (van de dierenartsenpraktijk) contact opnemen. Het advies is hierover afspraken te maken tussen dierenarts en veehouder.

Op welke wijze mag het contactmoment plaatsvinden tussen dierenarts en veehouder als de veehouder 2e keuzemiddelen wil inzetten?

Dit is vormvrij. Advies is hierover afspraken te maken tussen dierenarts en veehouder.

Op welke wijze moet de dierenarts akkoord geven?

De toestemming wordt rechtsgeldig als er een instructie (inclusief de datum van het contact) is opgesteld door de dierenarts voor de behandeling van de bedrijfsspecifieke aandoening met 2e keuzemiddelen door de veehouder.

Afvoer van 2e keuze middelen

Wat te doen met 2e keuze middelen die over zijn na een behandeling?

Deze mogen op het bedrijf blijven. Deze mogen alleen weer worden ingezet als de dierenarts hetzij tijdens een bezoek dan wel tijdens een contactmoment hier een instructie voor heeft afgegeven.

Vrijstellingen voor bedrijven in het groen (streefgebied)

Wanneer voldoe ik aan een structureel laag antibioticumgebruik en kom ik in aanmerking voor enkele vrijstellingen van de UDD-regeling?

Als u voldoet aan de voor uw sector opgestelde Gids voor Goede Praktijken. Deze kunt u vinden op RVO.nl.

Hoe weet ik of er een Gids voor Goede Praktijken voor vleeskalverbedrijven/varkensbedrijven/ melkveehouderijbedrijven bestaat?

Dan staat deze op de site van RVO.nl.

Sectorspecifieke vragen en antwoorden

Vleeskalverhouderij

Wanneer start de hoogrisicoperiode bij vleeskalveren?

De hoogrisicoperiode start bij het arriveren van het 1e jonge kalf en duurt tenminste 6 weken vanaf het laatst aangevoerde kalf.

De hoogrisicoperiode kan dus ook langer duren dan 6 weken?

Ja, als het leveren van jonge kalveren langer dan een dag duurt, dan loopt de hoogrisicoperiode tot tenminste 6 weken na het laatst gearriveerde kalf.

Waarom is er een maximumleeftijd van 10 weken gekoppeld aan de hoogrisicoperiode?

De maximumleeftijd is opgenomen zodat de hoogrisicoperiode niet geldt voor de afmestfase waarbij kalveren ouder zijn dan 10 weken en er geen sprake meer is van hoog risico op ernstige ziekten of aandoeningen.

Varkenshouderij

Geldt het contactmoment ook voor een gesloten bedrijf?

Als een bedrijf naast biggen tot 8 weken ook andere diercategorieën heeft dan geldt het 2-wekelijks bedrijfsbezoek voor de biggen tot 8 weken. Voor de andere categorieën kan het contactmoment worden benut.

Kan een veehouder ook voor het tweewekelijkse bezoek kiezen voor alle andere diercategorieën dan alleen de biggen tot 8 weken?

Veehouder en dierenarts kunnen besluiten om bij inzet van 2e keuze middelen door veehouder voor alle diercategorieën het 2-wekelijks bezoek te hanteren en geengebruik te maken van het contactmoment. Dit moet wel zijn opgeschreven in het BGP.

Als een dierenarts op maandag is geweest en woensdag moet een hele afdeling toch behandeld worden, moet de dierenarts deze behandeling dan starten?

Een hele afdeling behandelen geldt niet als individuele behandeling van dieren (is een zogenaamd koppelkuur). Koppelkuren mogen alleen ingezet worden door de dierenarts. Dus in dit geval moet de dierenarts alsnog een bezoek afleggen ongeacht dat een klinische inspectie een door de dierenarts te bepalen houdbaarheidstermijn heeft.

Melkveehouderij

Is bij behandeling van mastitis met een 2e keuze middel een contactmoment ook verplicht?

Nee, dat is niet verplicht. De veehouder kan mastitis behandelen volgens de aanwijzingen van de dierenarts in het bedrijfsbehandelplan.