Buitenlandse attractietoestellen

Buitenlandse attractietoestellen, dat wil zeggen attractietoestellen die in het buitenland zijn geproduceerd, maar in Nederland worden gebruikt moeten voldoen aan het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen (WAS).

Dit betekent dat buitenlandse exploitanten die in Nederland een attractietoestel gebruiken, niet zijn vrijgesteld van de verplichte keuringen (ingebruikname en periodieke) van het WAS. Zij moeten voldoen aan dezelfde veiligheidsborgingen als Nederlandse exploitanten. Dit geldt ook voor Nederlandse exploitanten die een buitenlands attractietoestel in Nederland gebruiken.

Voor alle exploitanten geldt de meldplicht van artikel 20, lid 2, van het WAS. Degene die een attractie- of speeltoestel tijdelijk in Nederland gebruikt moet aangifte doen bij de NVWA. De exploitant moet deze melding ten minste 2 x 24 uur voorafgaand aan elke 1e opbouw of plaatsing van het toestel op Nederlands grondgebied doen.

Verplichte meldgegevens:

  1. naam, woon- of verblijfplaats en adres
  2. de soort, het type, het bouwjaar en de fabrikant van het attractietoestel
  3. plaats waar het attractietoestel zich bevindt. Of, in geval van een niet permanent geïnstalleerd attractietoestel, de plaatsen waar het zich bevindt in de periode van 3 maanden na de dag van aangifte.

Situatie 1

Niet gekeurd buitenlands attractietoestel dat in Nederland wordt gebruikt

De exploitant moet zich niet alleen melden bij de NVWA, maar ook een certificaat van goedkeuring aanvragen bij 1 van de door de minister voor Medische Zorg en Sport aangewezen keuringsinstellingen (AKI's). Dat moet op grond van artikel 9 van het WAS.

De gegevens die de exploitant bij de aanvraag moet leveren:

  1. de plaats waar het toestel is gemaakt
  2. het bouwjaar en het type- en serienummer
  3. het technisch constructiedossier, als dit van toepassing is. Of, de naam en het adres van de leverancier waar het technisch constructiedossier beschikbaar is voor de aangewezen instelling
  4. de plek waar het attractietoestel gekeurd kan worden.

De AKI voert in dat geval een volledige keuring uit om te kunnen bepalen of het attractietoestel aan de eisen van het WAS voldoet.

Situatie 2

Buitenlands attractietoestel dat in Nederland wordt gebruikt of verhandeld, en voorzien is van een goedkeuringscertificaat van een binnen de Europese Economische Ruimte* gevestigde keuringsinstelling (niet aangewezen door de minister).

Is er voor het buitenlandse attractietoestel een geldig certificaat van goedkeuring afgegeven door een instelling in een andere EU-lidstaat (of de EER)* die daar bevoegd voor is, dan geldt de meldplicht bij de NVWA. De exploitant moet een aanvraag doen bij een door de minister aangewezen keuringsinstelling (AKI's) voor een certificaat van goedkeuring volgens het WAS.

In deze situatie gelden de regels van Verordening (EG) 764/2008. Dit betekent dat de AKI die de aanvraag in behandeling heeft, de eerdere goedkeuring door de niet-aangewezen instelling moet betrekken bij de beoordeling van het attractietoestel. Afhankelijk van de omvang en inhoud van de eerdere goedkeuring bepaalt de AKI of, en zo ja, hoeveel aanvullend onderzoek en eventuele beproevingen nodig zijn om te kunnen beoordelen of het attractietoestel aan de eisen van het WAS voldoet.

*(EER = EU-lidstaten + Liechtenstein, Noorwegen en IJsland)

Zie voor meer informatie over meldplicht artikel 20, lid 2 van het WAS