Wat moeten bedrijven doen?

De Europese Unie heeft besloten dat ondernemers verantwoordelijk zijn voor de veiligheid van hun producten. Ze mogen dus alleen maar producten op de markt brengen waarin een beperkte hoeveelheid dioxine aanwezig is. Ieder bedrijf dient ten aanzien van een mogelijke dioxinebesmetting een risicoanalyse uit te voeren en zonodig beheersmaatregelen te treffen (conform de principes van HACCP). Als een bedrijf een dergelijk gevaar heeft onderkend, dan zal het de nodige beheersmaatregelen moeten nemen. Dat begint met het maken van specifieke afspraken met de leverancier van de grondstof. De volgende stap is dat het bedrijf verifieert of de leverancier zich aan de gemaakte afspraken houdt. Deze verificatie kan op verschillende manieren plaatsvinden: door het uitvoeren van een audit bij de leverancier, door deelname aan een ketengarantiesysteem (bijvoorbeeld RiskPlaza), door het opvragen van analysecertificaten bij de partij dan wel door het zelf bemonsteren en analyseren van een binnenkomende partij. Monstername en analyse maken vaak deel uit van een ketengarantiesysteem. Voor het beheersen van de dioxineproblematiek zijn bovenstaande stappen essentieel. Alleen via deze aanpak kunnen incidenten worden voorkomen.

Dioxineonderzoek door private partijen

Om te controleren of producten aan de wettelijke norm voor dioxines voldoen, laten bedrijven dioxineonderzoek uitvoeren door private laboratoria. Privaat dioxineonderzoek vindt vooral plaats in de diervoeder-, de olie- en vetsector. Vaak steekproefsgewijs, maar soms ook door onderzoek per partij. Het gaat om vele honderden monsters per jaar. Dat is ook begrijpelijk omdat veevoeders in het begin van de keten worden toegepast. Voldoen veevoeders niet aan de dioxinenorm, dan kan dat grote gevolgen hebben voor producten van dierlijke oorsprong (zoals eieren en zuivel) afkomstig van dieren die dat veevoeder hebben gegeten. Beheersing van de dioxinenorm in producten van dierlijke oorsprong begint dus met de beheersing van de norm in veevoeders. Daarnaast worden ook producten van dierlijke oorsprong in meer of mindere mate bemonsterd, om na te gaan of de gemaakte afspraken resulteren in het gewenste resultaat. Dit betreft verificatie en door het slim inregelen kan met een relatief beperkt aantal monsters een goed beeld van de naleving worden verkregen. Een voorbeeld hiervan is te vinden in de zuivelsector: door het samenvoegen van monsters en het op zeer gevoelig niveau analyseren, is men in staat om met een gering aantal analyses (50 tot 60 op jaarbasis) toch eventueel afwijkende dioxinegehaltes in melk op te sporen. In de eiersector werden tot voor kort met name pluimveebedrijven met vrije uitloop bemonsterd (ongeveer 100 analyses op jaarbasis). Door de recente incidenten met veevoeder, waar ook de pluimveesector bij betrokken was, zal deze bemonstering waarschijnlijk uitgebreid worden tot de gehele legsector. Dioxineanalyse van eieren dient dan in het kader van het kwaliteitssysteem IKB-Ei (en het Duitse kwaliteitssysteem KAT) voortaan iedere legronde plaats te vinden. Ook in de vleessector (met name de varkensvleessector) vindt op vergelijkbare wijze verificatiecontrole plaats.