Bruinrot: risico’s oppervlaktewater bij (poot)aardappelen

Blijvende aandacht voor de risico's van de teelt van (poot)aardappelen nabij oppervlaktewater is noodzakelijk, zeker in en nabij beregeningsverbodsgebieden.

Aardappelen kunnen door contact met besmet oppervlaktewater aangetast worden, bijvoorbeeld door onderstaande oorzaken:

  • infiltratie met oppervlaktewater
  • overstromingen
  • overwaaiend beregeningswater
  • beregening consumptie-of zetmeelaardappelen tussen pootaardappelen
  • onzorgvuldig gebruik sloten voor opslag bronwater
  • teelt pootgoed op baggerslib
  • beregening voor het poten
  • beregening voor het rooien

Infiltratie met oppervlaktewater

U mag als teler niet actief en doelbewust uw (poot)aardappelpercelen infiltreren met oppervlaktewater. Met (poot)aardappelpercelen bedoelen wij hier percelen met pootaardappelen in heel Nederland en percelen met consumptie- en zetmeelaardappelen binnen de beregeningsverbodsgebieden.

U infiltreert een perceel actief en doelbewust als u bijvoorbeeld:

  • oppervlaktewater actief inbrengt in een drainagesysteem
  • bewust het waterpeil in de sloot waarin de drainagebuizen uitmonden verhoogt, om zo de drainagebuizen onder water te zetten

Als u zelf het waterpeil verhoogt bij een aardappelperceel gaan wij ervan uit dat het uw doel is om uw aardappelen van oppervlaktewater te voorzien.

Risico’s bij waterpeilverhoging door waterschappen

Ook bij verhoging van het waterpeil door de waterschappen zijn er risico’s. En niet alleen theoretisch. Wij hebben bij enkele vondsten in de afgelopen jaren vastgesteld dat infiltratie en/of wortelgroei tot in de drainagebuizen de meest voor de hand liggende oorzaak van de besmetting is geweest. Wij adviseren telers nadrukkelijk om rekening te houden met dit risico.

Waterschappen regelen het waterpeil binnen hun werkgebied en kunnen daarbij een zomer- en winterpeil hanteren. Dat kan betekenen dat tijdens het groeiseizoen drainagebuizen beneden het waterpeil komen te liggen. Hierdoor zou het oppervlaktewater in contact kunnen komen met de wortels van de aardappelplanten. Op dit moment hebben wij echter onvoldoende kennis over de situaties en omstandigheden, om ervan uit te gaan dat dit contact aannemelijk is.

De NVWA past de wettelijke beperkingen aan het gebruik van oppervlaktewater niet toe bij verhogingen van het waterpeil door de waterschappen.

Vragen over gebruik oppervlaktewater

Wij hebben recent vragen gekregen over het gebruik van oppervlaktewater in de aardappelteelt, als het water via drainagebuizen in een perceel wordt ingebracht. Naar aanleiding van de vragen hebben wij de wettelijke beperkingen hier voor u op een rij gezet.

Overstromingen

Ook lokaal op een laag deel van het perceel. Aanbeveling: Het mijden van overstromingsgevoelige delen van percelen. Bij intensief contact met besmet water kan de besmetting al in het jaar van overstroming uit de toetsing blijken.

Zie pagina Overstromingen en fouten voor meer informatie over hoe de impact van een overstroming verkleind kan worden.

Overwaaiend beregeningswater, of een fout met het beregenen

Zorgvuldig beregenen van gewassen op naburige - en belendende percelen of het maken van afspraken met telers van naastgelegen gewassen is van belang. Meestal blijkt de besmetting door beregening pas 1 of 2 jaar na de beregening.

Voor meer informatie zie pagina Overstromingen en fouten.

Beregening van (stroken) consumptie- of zetmeelaardappelen die liggen tussen pootaardappelpercelen

Op meerdere percelen worden vanwege de aanwezigheid van aardappelmoeheid AM-resistente aardappelen geteeld als bestrijdingsmaatregel. Bijna altijd zijn dit stroken die liggen tussen, of direct grenzen aan percelen pootaardappelen. Beregening van dergelijke stroken met oppervlaktewater wordt beschouwd als een onverantwoord risico. Vaak zijn deze percelen smal en is overwaaien en/of mee-beregenen van het pootgoed onvermijdelijk.

In voorkomende gevallen zal er geen afsplitsing van beregende delen binnen het pootgoedperceel plaatsvinden. Het pootgoedperceel wordt in het geheel als beregend met oppervlaktewater aangemerkt.

Onzorgvuldig gebruik van sloten die gebruikt worden voor opslag van bronwater

Op de pagina Toegestaan watergebruik staat een toelichting op het veilig gebruik van sloten voor opslag van bronwater en kwelwater.

Teelt van pootgoed op baggerslib

De overlevingsduur van bruinrot in bagger is circa 1 maand. Hou er rekening mee dat de bruinrotbacterie langer kan overleven in de aanwezige bitterzoetplanten in de bagger. Voorkom besmettingsrisico door de bagger dun uit te spreiden en hierop 1 jaar geen waardplanten te telen (vooral aardappel en raketblad). Bij een recente bruinrotvondst ziet de NVWA als mogelijke introductieroute de slootbagger die op het perceel is gebracht enkele maanden voorafgaande aan de aardappelteelt.

Beregening voorafgaande aan het poten, bijvoorbeeld ter verbetering van de structuur van percelen

Besmetting kan optreden via onkruiden (bijvoorbeeld nachtschadeachtigen) of doordat de bruinrotbacterie enige tijd in de grond kan overleven. Het gebruik van oppervlaktewater voorafgaand aan de teelt van aardappelen is daarom ook verboden.

Beregening voorafgaande aan het rooien

Beregening wordt toegepast om een perceel ‘rooibaar’ te maken. Besmetting kan optreden via wateropname van de aardappelen in de rug. Het gebruik van oppervlaktewater voorafgaand aan het rooien van aardappelen is daarom ook verboden.

Wat doen wij als bruinrot wordt aangetroffen?

De impact van een besmetting van pootaardappelen met bruinrot is groot. De besmetting kan zich gedurende achtereenvolgende vermeerderingen van een partij opbouwen. Bij het aantreffen van bruinrot legt de NVWA maatregelen op bij alle bedrijven die klonaal verwante aardappelen in bezit hebben. Ook op het pootgoedbedrijf waar de besmetting is ontstaan, kunnen maatregelen worden opgelegd.