Slimme oplossingen in de praktijk brengen

Loes den Nijs, wetenschappelijk medewerker bij de afdeling Nationaal Referentiecentrum Fytosanitair van de NVWA

Toen ik 20 jaar geleden bij de NVWA begon, ging ik me onder andere met aardappel-cysteaaltjes bezig houden. Die leven in de bodem en kunnen de wortels van aardappelplanten beschadigen, de groei vertragen en daarmee de opbrengsten van de aardappelteelt sterk verminderen. Vanwege de grote schadelijkheid en de problemen die het veroorzaakt, behoort het aardappel-cysteaaltje tot de quarantaine-soorten.

Loes den Nijs
Beeld: ©NVWA

Aardappel; een belangrijk gewas

Voor een pootgoed producerend land als Nederland is de aardappel een super belangrijk gewas. Het materiaal van de aardappelplanten moet goed schoon zijn en vrij van ziekten en plagen, dus ook van het aardappel-cysteaaltje, zodat het in andere landen veilig kan worden gebruikt. Voor het aardappel-cysteaaltje geldt  bovendien een speciale bestrijdingsrichtlijn. Die bepaalt dat alle grond waar je pootaardappelen in gaat telen, vrij moet zijn van deze organismen, nematoden geheten. Maar ze komen wel veel voor in ons land. Dat is dus een lastige uitdaging voor de telers, ook omdat het belangrijk is voor onze exportpositie.

Want Nederland is niet groot en daardoor telen de telers aardappelen in een behoorlijk krappe rotatie, gemiddeld eens in de 3 tot 4  jaar. En hoe vaker je achter elkaar teelt, hoe meer je de kans geeft aan pathogenen om  in aantallen op te bouwen tot een schadelijk niveau. Je moet dus als teler heel goede maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat het beestje zodanig laag in aantallen zit dat dat het geen kwaad kan. In het verleden werden vaak chemische bestrijdingsmiddelen gebruikt, maar dat mag niet meer. Telers moeten dus op andere manieren slim zijn. Om aardappelen te produceren die voldoen aan alle kwaliteitseisen én die resistent zijn tegen deze nematoden. Dat hebben ze ook gedaan.

Het probleem is alleen dat de aardappelrassen met een bepaalde resistentie zo vaak worden geteeld dat de nematode daar op een gegeven moment weer doorheen kan breken. En het duurt wel even voordat er dan weer nieuwe resistente rassen zijn. In de tussentijd moeten er dus steeds opnieuw heel goede maatregelen voorhanden zijn. Gelukkig zijn onze telers en onderzoekers creatief.

Ik werk op het snijvlak tussen onderzoek en beleid en adviseer dus ook regelmatig aan beleidsafdelingen van de NVWA. Daarom bedacht ik dat het fijn zou zijn om af en toe wat ruggenspraak te kunnen hebben over dit onderwerp met mensen uit de praktijk. Ik wist vanuit mijn vorige werkkring dat er in het verleden een werkgroep was geweest, die zich vanuit verschillende invalshoeken over aardappel-cysteaaltjes had gebogen. Die heb ik toen nieuw leven in geblazen en inmiddels organiseer ik alweer 15 jaar 2 keer per jaar een bijeenkomst met deze werkgroep. Daarin komen veredelaars, mensen vanuit de bracheorganisatie, onderzoek, advisering, de universiteit en de keuringsdienst bijeen. Allemaal mensen die iets met aardappelen hebben, maar vanuit verschillende achtergronden en perspectieven. Tijdens de bijeenkomsten nemen we een hele dag de tijd om langer door te praten over vragen als: Welke kant moeten we op? Waar zien we problemen ontstaan? Hoe kunnen we zorgen dat pootgoedtelers hun aardappels kunnen blijven telen, ondanks de regelgeving? Hoe kunnen we dat oplossen?

Werkgroep en klankbord

Ik benut die werkgroep vanuit de NVWA dus als klankbordgroep. We bespreken onderzoek dat door de NVWA wordt gefinancierd, en ook andere onderzoeken die allemaal de aardappel en nematoden als onderwerp hebben. Juist omdat er vanuit verschillende invalshoeken en belangen wordt gekeken, krijg je interessante en waardevolle discussies. Dat is ook bijzonder, want er zitten óók concurrerende bedrijven aan tafel. Die soms best moeite hebben om gegevens prijs te geven. En toch vinden we daar steeds een weg in. Dat is uniek, ook in Europa, dat merk ik aan reacties als ik hier bijvoorbeeld over vertel op internationale symposia. Het interessante is ook dat we op deze manier als groep geld vrij kunnen maken voor onderzoek. Doordat we elkaar steunen in een gezamenlijk belang.

Inundatie is een mooi voorbeeld. Dat is naar voren gekomen in de werkgroep. Daarbij zetten telers hun veld een paar maanden onder water, wat tot effect heeft dat de bodem zuurstofloos is en de aardappel-cysteaaltjes doodgaan. Dat is eerst in een pottenproef gedaan. Daarna zei een teler, ik ga het doen op mijn grond. Toen hebben we in de werkgroep met een onderzoeker afgesproken: als we er nu nog snel cysten in stoppen, dan weten wat we er in hebben gestopt. En dan kunnen we het daarna eruit halen om het effect te beoordelen. We hebben het praktische dus direct met het wetenschappelijke verenigd en met het beleid.

De uitkomst was dat het werkt. Dus wij hebben deze methode als een officiële bestrijdingsmaatregel aangedragen bij de EU. En dat maakt een groot verschil. Want het betekent dat telers het jaar na de inundatie weer kunnen telen in plaats van eerst 3 jaar te wachten. En dat komt niet alleen individuele telers ten goede, het levert ook een belangrijke bijdrage aan de exportpositie van Nederland.