Resistente rassen spelen een belangrijke rol bij de beheersing van aardappelmoeheid (AM). De mate van resistentie verschilt per aardappelras en hangt af van de aanwezige AM soort en het pathotype. Bij rassen met een hoge resistentie kunnen binnengedrongen aaltjes zich niet ontwikkelen tot cysten, waardoor de populatie afneemt. Deze afname is echter nooit volledig, omdat niet alle cysten door wortels worden bereikt en sommige in rust blijven. Hoe hoger de resistentie van een ras, hoe minder vermeerdering optreedt.

Rassenkeuze en beheersing van AM

Voor bestrijding van AM op een besmet terrein is gebruik van een hoog resistent ras verplicht. Voor een goede beheersing van AM is het niet altijd nodig om hoog resistente rassen te kiezen. Dit hangt af van het teeltdoel (pootgoed, consumptie of zetmeelteelt), de teeltfrequentie en de virulentie van de aanwezige populatie. Voor consumptie- en zetmeelteelt geldt: hoe hoger de teeltfrequentie, hoe hoger de resistentie moet zijn om onder de schadedrempel te blijven. Bij pootgoedteelt moeten percelen AM-vrij zijn.

Voor extra informatie hierover kan de BO- brochure Beheersing van aardappelmoeheid in de akkerbouw of het adviessysteem Nemadecide geraadpleegd worden.

Overzicht resistente aardappelrassen voor aardappelmoeheid

De NVWA houdt een lijst bij van in Nederland beschikbare aardappelrassen met het bijbehorende resistentieniveau voor aardappelmoeheid. De volgende populaties zijn voor Nederland relevant:

  • EU populaties: Ro1, Ro5 en Pa3
  • Lokale Nederlandse populaties: Ro2/3, Pa2 en sinds 2026 ook Pavirulent (cijfers vanaf 2028 beschikbaar)

Van alle rassen op deze lijst is bekend hoe zij zich gedragen op bekende AM-populaties. Resistentie tegen aardappelmoeheid is ingewikkeld en heeft uitleg nodig. Lees daarom ook de toelichting en de pagina over onderzoek naar resistentie.

Veel vatbaarder dan verwacht

Soms blijkt dat bij een ras meer cysten worden gevormd dan verwacht mag worden op basis van het cijfer voor de relatieve vatbaarheid. Vaak wordt dit veroorzaakt door een andere soort van het aardappelcysteaaltje dan bekend of verwacht. Denk hierbij aan Globodera pallida in plaats van Globodera rostochiensis. Het kan ook dat beide soorten voorkomen op het perceel. In sommige gevallen is er sprake van een afwijkende populatie, waarbij de aanwezige resistentie in het ras wordt doorbroken. Dan is er mogelijk sprake van de aanwezigheid van een virulente populatie.

Let op: de hoogte van de resistentie zegt niets over de mate van tolerantie van het ras. Dus hoeveel schade het ras ondervindt bij een bepaald besmettingsniveau.

Virulente populatie

Bij een virulente populatie aardappelmoeheid kunnen de aardappelcystenaaltjes de resistentie van een aardappelras doorbreken. Er vindt dan vermeerdering van de populatie plaats. In het geval van G. pallida virulente populaties bieden de meeste huidige Nederlandse hoog resistente rassen minder tot geen bescherming meer. De NVWA doet mee aan onderzoek waarmee de virulentie van een populatie in het laboratorium bepaald kan worden.

Op enkele percelen in Nederland zijn inmiddels ook afwijkende G. rostochiensis populaties aangetroffen die de bestaande resistenties tegen deze soort doorbreken. Meer onderzoek is nodig om de exacte oorzaak te achterhalen.

Ontdekt u een besmetting met AM op een resistent ras, waarbij er sprake kan zijn van een heuse doorbraak in resistentie? Dan moet u dit direct bij ons melden. Er volgt dan een onderzoek naar het karakter van de aanwezige populatie.

Rassenkeuzetoets aardappelrassen

Vermoedt u dat er sprake is van een meer virulente populatie? Dan raden we u aan om professionele hulp te zoeken en bijvoorbeeld een rassenkeuzetoets te laten uitvoeren. Hiermee kunt u bepalen bepaald welk ras of rassen u het beste kunt telen op het perceel.

Resistentieonderzoek aardappelmoeheid

Zie ook: Uitvoeringsprotocol aardappelmoeheid resistentietoetsing