Beleid voor gebiedsaanwijzing Meloidogyne chitwoodi en Meloidogyne fallax

Nederland is verplicht de introductie en verspreiding van maïswortelknobbelaaltjes via het verkeer van alle planten en plantaardige producten te voorkomen.

Regelgeving

Het maïswortelknobbelaaltje Meloidogyne chitwoodi en het bedrieglijk maïswortelknobbelaaltje Meloidogyne fallax zijn vermeld in bijlage I A II van Richtlijn 2000/29/EG. Deze richtlijn wordt ook wel aangeduid als 'de Fytorichtlijn'. De organismen zijn daarmee voor de Europese Unie aangemerkt als schadelijke of quarantaine organismen, waarvan bekend is dat deze in de EU voorkomen. Op basis van deze vermelding is Nederland verplicht de introductie en verspreiding van deze aaltjes via het verkeer van alle planten en plantaardige producten te voorkomen.

In bijlage IV van de Fytorichtlijn zijn bovendien specifieke eisen vermeld, die gelden voor de teelt van pootaardappelen in de EU.

In bijlage IV A II (punt 18.1 (e)) staat vermeld voor pootaardappelen:

  • de knollen van oorsprong zijn uit gebieden waaraan bekend is dat Meloidogyne chitwoodi Golden et al. (alle populaties) en Meloidogyne fallax Karssen er niet voorkomen, of
  • in gebieden waarvan bekend is dat Meloidogyne chitwoodi Golden et al. (alle populaties) en Meloidogyne fallax Karssen er voorkomen.
    • de knollen afkomstig zijn van een productieplaats die bij een jaarlijks onderzoek op grond van een visuele controle, op daartoe geschikte tijdstippen, van waardplanten, alsmede een visuele controle, onmiddellijk na de oogst van de op die productieplaats geteelde aardappelen, van zowel hele als doorgesneden knollen, vrij is bevonden van Meloidogyne chitwoodi Golden et al. (alle populaties), en Meloidogyne fallax Karssen, of
    • onmiddellijk na de oogst van de knollen een aselect monster is genomen dat door middel van een daartoe geschikte inductiemethode op symptomen is onderzocht dan wel in een laboratorium is getest, alsmede zowel hele als doorgesneden knollen visueel zijn gecontroleerd op daartoe geschikte tijdstippen maar in ieder geval op het ogenblik dat de colli of de containers, voordat zij in de handel worden gebracht, zijn gesloten overeenkomstig de in Richtlijn 66/403/EEG terzake vastgestelde voorschriften, en geen symptomen van Meloidogyne chitwoodi Golden et al. (alle populaties) en Meloidogyne fallax Karssen zijn waargenomen.

Uitwerking van de regelgeving

Alle (voortkwekings)materiaal dat in het verkeer gebracht wordt moet vrij zijn van M. chitwoodi en M. fallax. Bovendien geldt er voor pootaardappelen de verplichting dat deze moeten komen uit gebieden waarvan bekend is dat M. chitwoodi en M. fallax er niet voorkomen. Of - voor die gebieden waar dit wel het geval is - geldt de verplichting dat partijen onderzocht zijn. Dit onderzoek wordt in Nederland uitgevoerd door bemonstering van partijen en het uitvoeren van een laboratoriumonderzoek. Voor de overige gewassen, die geteeld worden in dergelijke gebieden, geldt dat de BKD bloembollen en de Naktuinbouw boomkwekerijgewassen, verscherpt inspecteert en onderzoekt op het vrij zijn van M. chitwoodi en M. fallax.

Met ingang van 2019 wordt, om de garantiestelling onder het plantenpaspoort voor Nederlandse pootgoed te behouden, in de gebieden met de status vrij van M. chitwoodi en M. fallax een deel van de pootaardappelpartijen getoetst. Het betreft gemiddeld 1 partij per pootgoedteler per jaar.

Maatregelen bij gebiedsaanwijzing

In geval de NVWA of een keuringsdienst maïswortelknobbelaaltjes vindt, geldt voor een gebied rondom de vondst niet langer de status vrij van M. chitwoodi en M. fallax.

Rondom de vondst wijst de NVWA een gebied aan waar maatregelen voor gelden. Deze maatregelen worden met ingang van het eerstvolgende kalenderjaar van kracht. De maatregelen betekenen het volgende voor de teelt binnen het gebied van:

  • Pootaardappelen die in het handelsverkeer worden gebracht: deze moeten eerst door de NAK worden bemonsterd en onderzocht. Er geldt een verplicht onderzoek na de oogst. 
  • Partijen bloembollen die in het handelsverkeer worden gebracht: deze worden op basis van een risicobenadering door de BKD verscherpt geïnspecteerd.
  • Partijen vatbare vaste planten en boomkwekerijgewassen die in het handelsverkeer worden gebracht: deze worden door Naktuinbouw op basis van een risicobenadering verscherpt geïnspecteerd.

Gebiedsaanwijzing: werkwijze nieuw gebied

Gebieden met een officiële vondst van M. chitwoodi en M. fallax worden aangewezen door een gebied af te bakenen met een straal van minimaal 1 km afstand tot de vindplaats. Als vindplaats geldt het XY coördinaat van het midden van het perceel.

Bij besmet pootgoed is dit het midden van de plek waar de pootgoedpartij gegroeid is. Alle percelen die geheel of gedeeltelijk binnen 1 kilometer van het XY coördinaat zijn gelegen gaan tot het aangewezen gebied behoren. Bij de afbakening hanteert de NVWA geografisch goed identificeerbare grenzen zoals sloten, wegen en dergelijke. De reden voor de afstand van 1 km is dat de verspreiding van beide nematoden via machines en wind over een beperkte afstand plaatsvindt.

Na een jaar wordt het aangewezen gebied beperkt tot het topografische perceel waarbinnen de vondst is gedaan. Een topografisch perceel is een oppervlakte grond omsloten door topografische (bestendige) grenzen, zoals wegen, water, houtwallen, hekwerk en bebouwing. Een kadastrale grens is geen topografische grens, maar kan door de NVWA wel als bestendig worden aangemerkt. Indien grondbewerking over de kadastrale grens heen (mogelijk) heeft plaatsgevonden, wordt de kadastrale grens niet als bestendig gezien.

De maatregelen die gelden binnen een aangewezen gebied kunnen leiden tot nieuwe vondsten van beide nematoden. Ook bijvoorbeeld export- of partijinspecties, inclusief de daarbij behorende monsteronderzoeken, kunnen nieuwe vondsten opleveren. Van iedere vondst wordt op de hiervoor beschreven wijze het XY coördinaat bepaald en vindt er afbakening plaats van het aangewezen gebied (eerst cirkel en daarna topografisch perceel).

Informatie over aangewezen gebieden

De NVWA is gehouden de Europese Commissie jaarlijks te informeren over vondsten van M. chitwoodi en M. fallax in Nederland.

De NVWA informeert bij het instellen van een nieuw aangewezen gebied in ieder geval de telers die geheel of gedeeltelijk met het bedrijf binnen het gebied gevestigd zijn. Afhankelijk van de situatie kunnen andere groepen telers van bloembollen en pootaardappelen worden geïnformeerd. De NVWA verstrekt hierbij een kaart van het betreffende aangewezen gebied + uitleg van de maatregelen.

De kaarten van de aangewezen gebieden worden ter beschikking gesteld aan de BKD, NAK en Naktuinbouw. Deze keuringsdiensten kunnen belanghebbenden nader informeren over de ligging van de aangewezen gebieden. Eigenaren van percelen, die liggen binnen een aangewezen gebied, dienen bij de verhuur van percelen ten behoeve van de teelt van pootgoed of ander voortkwekingsmateriaal de (potentiële) huurder te wijzen op de ligging binnen een aangewezen gebied en op de daarbij behorende onderzoeksverplichting voor pootaardappelen en een verscherpte controle bij de teelt van bloembollen of boomkwekerijgewassen.