BuRO kent verschillende medewerkers, die naast hun reguliere baan bij BuRO, ook zijn aangesteld als bijzonder hoogleraar.

Waarom stelt BuRO bijzonder hoogleraren aan?

De belangrijkste redenen voor BuRO om bijzonder hoogleraren aan te stellen zijn:

  • mede ontwikkelen van een langdurige kennisbasis waarop onderzoek uitgevoerd kan worden om maatschappelijke meerwaarde te creëren, en
  • het optimaliseren van betekenisvolle kennisontwikkeling voor de beoordelings- en adviestaken van BuRO.

Bij de vakgroepen waaraan de bijzonder hoogleraren van BuRO verbonden zijn, wordt onderzoek uitgezet, voor een deel of volledig gefinancierd door BuRO. Overigens wordt ook bij verschillende andere universiteiten, waaraan geen bijzonder hoogleraren van BuRO zijn verbonden, onderzoek gefinancierd.

Onafhankelijkheid, integriteit en autoriteit

Voor BuRO zijn onafhankelijkheid en integriteit bijzonder belangrijke elementen. Van BuRO wordt verwacht volledig onafhankelijk van beleid, toezicht of welke andere partij ook, risicobeoordelingen op te stellen en advies uit te brengen op basis van wetenschappelijk onderzoek dat BuRO zelf heeft gedaan of heeft laten doen. Hieraan ontleent BuRO ook zijn autoriteit.

Het onderzoek ten behoeve van de primaire taken van BuRO wordt gefinancierd vanuit de budgetten van BuRO om die onafhankelijkheid en integriteit te borgen. Dit geldt ook voor het laten verrichten van onderzoek bij die universiteiten, waaraan de bijzonder hoogleraren van BuRO zijn verbonden. Onderzoek doen aan een universiteit vraagt ook om onafhankelijkheid en wetenschappelijke integriteit.

Er zijn verschillende borgingselementen om zowel aan de Wet op de onafhankelijke risicobeoordeling NVWA (WOR) te voldoen én de Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit volledig te volgen, waaronder:

  1. De Raad van Advies van BuRO die toeziet op de onafhankelijkheid en wetenschappelijkheid van BuRO werkzaamheden. De rapporten van deze Raad worden naar de Tweede Kamer gestuurd.
  2. De wetenschappelijke integriteit van het werk dat bij de universiteiten gebeurt, wordt regelmatig getoetst door het curatorium van de bijzondere leerstoelen bij het evalueren van het onderzoeksplan en de voortgang. In de rapportages die gemaakt worden voor het curatorium staat beschreven dat er exclusief wordt gefinancierd door de NVWA (eventueel via RIVM) en dat dit is gebaseerd op de Wet Onafhankelijke Risicobeoordeling NVWA (WOR).
  3. De aanstelling van de bijzonder hoogleraar wordt getoetst aan de eisen die de universiteit daar aan stelt. Onder meer geldt de Gedragscode Integriteit van de Universiteit Maastricht over nevenwerkzaamheden (hoofdstuk 3): “In het kader van transparantie, een goede en integere functievervulling en de maatschappelijke verantwoording is het echter wel van belang, dat er inzicht is in de nevenwerkzaamheden van de medewerkers en dat de nevenwerkzaamheden worden verricht met medeweten en goedkeuring van de werkgever.” Hier wordt ook verwezen naar artikel 1.14 van de CAO Nederlandse Universiteiten.
  4. De Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit (2018) van de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU) wordt volledig onderschreven en uitgevoerd. Die code gaat in op de principes eerlijkheid, zorgvuldigheid, transparantie, onafhankelijkheid en verantwoordelijkheid, en is gestoeld op een aantal normen voor de onderzoekspraktijk. Dit geldt zowel voor de universiteiten als voor BuRO.
  5. Alle resultaten van het onderzoek aan de universiteiten worden gepubliceerd in peer-reviewed journals en geen resultaten worden achtergehouden of bewerkt. Het promotieonderzoek wordt openbaar verdedigd.
  6. Accountants zien toe op de toepassing van de rijksinkoopvoorwaarden (waarbij BuRO niet zelf de inkoop verzorgt maar dit via de LVVN inkooporganisatie IUC verloopt en waarbij minimaal een andere medewerker naast de bijzonder hoogleraar de offerte beoordeelt).

Daarnaast is ook van belang de brief van de minister van OCW over bijzonder hoogleraren en wetenschappelijke integriteit, van 12 juli 2022: Antwoord op schriftelijke vragen van de leden Jasper van Dijk en Kwint (beiden SP) over gesponsorde hoogleraren:

  • Vraag: Deelt u de mening dat betaling door een andere werkgever dan de universiteit ertoe kan leiden “dat in een wetenschappelijke publicatie de belangen van de werkgever positief worden meegenomen"?
  • Antwoord: In de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) is expliciet de mogelijkheid geboden voor openbare universiteiten om mensen uit de praktijk binnen te halen ter verrijking van het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek. Bijzondere universiteiten passen deze bepalingen uit de WHW naar analogie toe. Daarnaast heeft de wetgever destijds de mogelijkheid van bijzondere leerstoelen gecreëerd voor private organisaties die wetenschappelijk onderwijs en onderzoek op hun naam en onder hun verantwoordelijkheid willen laten verzorgen. Bijzonder hoogleraren die deze leerstoelen bekleden worden niet gefinancierd door de universiteit maar door een derde partij. Bijzondere hoogleraren worden buiten de reguliere bekostiging betaald en zijn niet in dienst van de universiteit. Dit is de bedoeling van deze constructie. De onafhankelijkheid van bijzondere hoogleraren dient te allen tijde te worden geborgd door de universiteit. Pas als het college van bestuur van een openbare universiteit er vertrouwen in heeft dat een derde de academische vrijheid en de onafhankelijkheid van een bijzonder hoogleraar borgt en de kandidaat hoogleraar voldoet aan de vereisten voor hoogleraar, mag zij de private organisatie bevoegd verklaren om een bijzondere leerstoel te vestigen. Op grond van de WHW dient het college van bestuur de bevoegdverklaring in te trekken als het belang van het wetenschappelijk onderwijs zich niet meer verdraagt met deze verklaring. Het niet onafhankelijk uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek, dat verweven is met het onderwijs, is een voorbeeld hiervan.

De Commissie Wetenschappelijke Integriteit van de Universiteit van Maastricht, de voorzitter van de Raad van Advies van BuRO, de voorzitter van de vakgroep in Maastricht en de minister van OCW onderschrijven alle de invulling van het bijzonder hoogleraarschap zoals het is bedoeld.

Hoogleraren en de WOR

De NVWA heeft gekozen voor het installeren van enkele bijzonder hoogleraarschappen bij die universiteiten die specifieke kennis kunnen leveren. Zo zijn momenteel twee buitengewoon hoogleraren, werkzaam bij BuRO, actief aan de Universiteit Maastricht en één buitengewoon hoogleraar actief aan de Universiteit van Amsterdam. Deze hoogleraren begeleiden, onbezoldigd door de universiteit, onderzoek dat de benodigde kennis oplevert voor de NVWA, soms als promotor. Zij zijn ook allen volledig betrokken bij de uitvoering van de Wet Onafhankelijke Risicobeoordeling Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (WOR).

De volgende artikelen van de Wet Onafhankelijke Risicobeoordeling Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (WOR) worden hieronder aangehaald voor de taken van BuRO, de wetenschappelijke- en onafhankelijke basis en de borging daarvan.

Daarnaast is in de Memorie van toelichting op de WOR apart benoemd dat:

“Om er voor te zorgen dat de [N]VWA zich zowel in de nationale verhoudingen als in het internationale speelveld tot een krachtige autoriteit kan ontwikkelen, acht het kabinet het noodzakelijk aparte wettelijke waarborgen te creëren voor een onafhankelijke uitvoering van wetenschappelijk gefundeerde risicobeoordelingen”.

Daarbij wordt ook opgemerkt dat:

“..het wetenschappelijk onderzoek waarop deze risicobeoordeling is gebaseerd, kan als fundamenteel worden gekenschetst..”.

Vragen over de borging van onafhankelijkheid en integriteit

Eigen medewerkers of derden die vragen hebben over dit onderwerp kunnen zich richten tot de universiteit waaraan de bijzonder hoogleraar van BuRO is verbonden, contact zoeken bij de directeur BuRO of een melding doen bij de NVWA.