De NVWA controleert vlees, melk, eieren en andere dierlijke producten op de aanwezigheid van farmacologisch werkzame stoffen. Dit doen we via een monitoringsprogramma.
Wettelijke limiet voor veterinair farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen
Diergeneesmiddelen en andere farmacologisch werkzame stoffen kunnen deels achterblijven in het vlees, de organen en andere dierlijke producten als melk en eieren. Mensen kunnen deze stoffen dan binnenkrijgen via hun voeding. Bij hoge hoeveelheden en langdurige inname kunnen er (op de lange termijn) gezondheidsproblemen ontstaan.
Om gezondheidsproblemen te voorkomen is wettelijk vastgelegd hoeveel er maximaal van een bepaalde stof in een product mag zitten. Dit is de wettelijke limiet, ook wel: de maximum residu limiet (MRL). De wettelijke limiet verschilt per stof en per product. Het gaat dus om product-stofcombinaties. De wettelijke limieten worden bepaald aan de hand van veiligheidsstudies.
De wettelijke limieten voor farmacologisch werkzame stoffen in dierlijke producten staan in Verordening EU 37/2010.
Verboden en niet-toegelaten stoffen
Van een aantal stoffen is vastgesteld dat het risico voor de gezondheid van de consument dermate groot kan zijn, dat deze stoffen helemaal niet bij voedselproducerende dieren gebruikt mogen worden. Dit zijn de zogenoemde verboden en niet-toegelaten stoffen. Een bekend voorbeeld hiervan zijn de groeihormonen.
Verboden en niet-toegelaten stoffen mogen in principe niet worden aangetroffen in producten. Maar sommige van deze stoffen kunnen er van nature in zitten, en worden dus toch aangetroffen. Daarom zijn voor een aantal verboden en niet-toegelaten stoffen actiedrempels (RPA’s) als wettelijke limiet vastgelegd, in Verordening 2019/1871. Ondanks dat het gebruik van deze stoffen verboden of niet toegelaten is, mogen deze stoffen tot een bepaald niveau in het dierlijk product zitten.
Ondernemer is verantwoordelijk
Ondernemers moeten ervoor zorgen dat hun producten veilig zijn en aan de wettelijke eisen voldoen. Onveilige producten moeten ze uit de handel houden of halen. Ondernemers zijn verplicht hun bedrijfsproces hierop in te richten. Ze kunnen bijvoorbeeld gebruikmaken van een zelfcontroleprogramma.
Controle volgens monitoringsprogramma
Wij controleren via steekproeven of vleesproducten en andere dierlijke producten aan de wettelijke eisen voldoen. Dit doen we via monitoringsprogramma’s (ook wel: controleprogramma’s).
Via het Nationaal Plan Residuen veterinair farmacologisch werkzame stoffen controleren we producten van dierlijke oorsprong op onder andere verboden stoffen, diergeneesmiddelen, en pesticiden die gebruikt mogen worden in de veehouderij van voedselproducerende dieren.
In het monitoringsprogramma staat onder meer:
- op welke chemische stofgroepen we controleren
- wat de wettelijke limieten zijn
- hoe we de controles uitvoeren
- hoeveel monsters we nemen
Gebaseerd op Europese afspraken
Alle landen van de Europese Unie hebben zulke controleprogramma’s. Binnen de EU-landen gelden dus dezelfde regels. Daardoor is binnen Europa vrij handelsverkeer mogelijk.
Waar staat dit in de wet?
De controleprogramma's zijn een verplichting vanuit de Controle Verordening, de EU-verordening 2017/625. Het controleprogramma voor veterinair farmacologisch werkzame stoffen is gebaseerd op de EU-Verordeningen 2022/1644 en 2022/1646.
Dierlijke producten die van buiten Europa geïmporteerd worden, moeten aan dezelfde voorwaarden doen. Deze niet-EU-landen hebben hier ook controleprogramma’s voor. Daarnaast controleren we importproducten zelf ook bij de grens.
Hoe voeren we de controles uit?
Wij controleren via steekproeven. We nemen monsters bij boerderijen en andere primaire bedrijven en in slachthuizen. Bij grenscontroleposten nemen we monsters van geïmporteerde producten. De monsters laten we analyseren in een daartoe bevoegd en aangewezen laboratorium.
Meeste monsters bij slachthuizen
Bij boerderijen heeft het geen zin om op alle stofgroepen te controleren. Het gebruik van geregistreerde diergeneesmiddelen is toegestaan zolang een dier nog op de boerderij wordt gehouden. Pas als het dier naar de slacht gaat, mag het diergeneesmiddel niet meer boven de maximum residu limiet aanwezig zijn. Daarom geldt er ook een wachttermijn bij gebruik van een diergeneesmiddel, voordat een dier naar het slachthuis mag worden gebracht.
Om deze reden nemen we de meeste monsters af bij slachthuizen. Als we in een monster een overschrijding aantreffen, voeren we daarna een inspectie uit bij de boerderij waar het dier vandaan komt.
Welke producten controleren we?
Wij controleren de volgende diersoorten en producten:
- rund
- varken
- schaap
- geit
- paard
- pluimvee
- konijn
- gekweekt wild
- aquacultuur: kweekvis
- melk
- eieren
- honing
- insecten
- reptielen
- casings, bijvoorbeeld darmen voor worstjes
Op welke stoffen controleren we?
Binnen het Nationaal Plan Residuen veterinair farmacologisch werkzame stoffen controleren we op verschillende stofgroepen.
Stofgroep A: stoffen waarvan het gebruik bij voedselproducerende dieren niet is toegestaan
De stoffen uit deze groep mogen niet voorkomen in producten. Het gaat bijvoorbeeld om stoffen die niet gebruikt mogen worden in de Europese Unie, zoals hormonen. Of pesticiden die op de veehouderij gebruikt mogen worden, bijvoorbeeld om stallen te ontsmetten of muizen en ratten te bestrijden. Onbedoeld kunnen deze stoffen op of in het dier terechtkomen.
a) stilbenen
b) antithyreogene stoffen
c) steroïden
d) resorcylische zure lactonen (met inbegrip van zeranol)
e) β-agonisten
a) chlooramfenicol
b) nitrofuranen
c) dimetridazool, metronidazol, ronidazol en andere nitro-imidazolen
d) andere stoffen
a) kleurstoffen
b) gewasbeschermingsmiddelen omschreven in Vo (EU) nr 1107/2009 en biociden omschreven in Vo (EU) nr 528/2012 die mogen worden gebruikt in de veehouderij van voedselproducerende dieren
c) antimicrobiële stoffen
d) coccidiostatica, histomonostatica en andere antiparasitaire middelen
e) proteïne- en peptidehormonen
f) anti-inflammatoire stoffen, sedativa en alle andere farmacologisch werkzame stoffen
g) antivirale stoffen
Deze groep A-stoffen bevatten ook hormonen en stoffen die een natuurlijke oorsprong kunnen hebben. Ze hoeven dus niet aan het dier te zijn toegediend. Een voorbeeld is thiouracil, een stof die onder meer in koolzaadachtige planten zit. Als runderen en varkens hiervan eten, kan de stof dus van nature in het vlees terechtkomen. Daarom worden dit soort stoffen in lage gehaltes wel toegestaan.
We proberen analysemethodes te ontwikkelen waarmee we onderscheid kunnen maken tussen stoffen van synthetische en natuurlijke oorsprong.
Stofgroep B: stoffen waarvan gebruik bij voedselproducerende dieren is toegestaan
Hier gaat het vooral diergeneesmiddelen. Gebruik hiervan is toegestaan, maar er geldt wel een wettelijke limiet.
a) antimicrobiële stoffen
b) insecticiden, fungiciden, anthelmintica en andere antiparasitaire middelen
c) sedativa
d) niet-steroïdale ontstekingsremmers (NSAID’s), corticosteroïden en glucocorticoïden
e) andere stoffen
Ook monitoring op andere chemische stoffen
Wij controleren dierlijke producten niet alleen op farmacologische werkzame stoffen, maar ook op andere chemische stoffen:
- Via het Nationaal Plan contaminanten controleren we levensmiddelen op contaminanten als metalen, PAK’s, mycotoxines, PFAS, dioxines en PCB’s.
- Via het Nationaal Plan Residuen bestrijdingsmiddelen controleren we levensmiddelen op residuen van bestrijdingsmiddelen.
Voor 1 januari 2023 stonden de afspraken voor controles op veterinair farmacologisch werkzame stoffen en contaminanten in 1 monitoringsprogramma, namelijk het Nationaal Plan Residuen in dieren en producten van dierlijke oorsprong. Zie de inspectieresultaten tot en met het jaar 2022.