Aardappelmoeheid (AM) is een plaag die wordt veroorzaakt door de aardappelcysteaaltjes Globodera pallida en Globodera rostochiensis. Deze tasten aardappelplanten maar ook andere planten binnen de nachtschadefamilie (Solanaceae) aan. Dit leidt onder andere tot slechte groei en minder opbrengst. Daarom hebben deze nematoden wereldwijd een quarantaine-status.
Wordt op uw perceel een besmetting met AM vastgesteld? Bekijk wat uw verplichtingen en mogelijkheden zijn.
Besmetting en verspreiding
Bij een besmetting met aardappelmoeheid zitten er cysten in de grond. Deze ontstaan wanneer het bevruchte vrouwtje opzwelt, zich met eieren vult en afsterft; de huid met eieren wordt een cyste. Zodra de wortels van onder andere aardappel, tomaat of aubergine gaan groeien worden de jonge aaltjes in de cyste wakker en dringen zij de wortels van de planten binnen, waardoor het gewas wordt aangetast en slechter groeit of zelfs afsterft.
Wanneer de vrouwtjes afsterven en zich ontwikkelen tot cysten, verhardt hun huid en verkleurt deze bruin. Op dat moment vallen de cysten van de wortels en blijven in de grond achter. Daar kunnen ze meer dan 10 jaar overleven. Verspreiding van AM vindt voornamelijk plaats via de ‘aanhangende’ grond aan (poot)aardappelen en andere rooivruchten zoals bieten, bollen en wortelen. Ook verspreiden de cysten zich via trekkers en machines, wind (stuiven) en grondverplaatsing.
Bestrijding van AM
Aardappelmoeheid kan worden bestreden door:
- (ruime) vruchtwisseling
- telen van resistente aardappelrassen
- het onder water zetten van een perceel (inundatie)
- telen van lokgewassen
- het toepassen van biologische grondontsmetting
Gereguleerde gewassen
De EU-regelgeving onderscheidt 3 groepen gewassen voor wat betreft het risico op verspreiding van aardappelmoeheid: waardplanten, licht gereguleerde gewassen, en overige gewassen.
Waardplanten
De strengste eisen gelden voor de waardplanten van het aardappelcystenaaltje. Dit zijn:
- aardappel (Solanum tuberosum)
- aubergine (Solanum melongena)
- tomaat (Solanum lycopersicum)
Licht gereguleerde gewassen
De licht gereguleerde gewassen mogen worden geteeld op met AM besmet terrein en op een terrein zonder onderzoeksverklaring. De opbrengst moet dan wel praktisch vrij van grond worden afgezet. De licht gereguleerde gewassen zijn:
Bloembollen en -knollen
- Dahlia
- Gladiool
- Hyacint
- Iris
- Lelie
- Narcis
- Tulp
Groenteplanten en bollen (uitgangmateriaal)
- Aardbeiplanten
- Aspergeplanten
- Bietenplanten
- Koolplanten
- Paprika- en peperplanten
- Plantsjalotten
- Plantui
- Preiplanten
Overige gewassen
De EU regelgeving stelt geen eisen aan de teelt en verwerking van andere gewassen. In Nederland is besloten om ook eisen te stellen aan de teelt van boomkwekerijgewassen en vaste planten. Hierdoor kunnen deze planten makkelijk geproduceerd worden voor de export.
Waar staat dit in de wet?
De regelgeving voor aardappelmoeheid is vastgelegd in Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1192. Daarnaast geldt Verordening (EU) 2019/2072. Hierin is de quarantainestatus van de nematoden Globodera pallida en Globodera rostochiensis vastgelegd en wordt aangegeven welke eisen voor deze organismen gelden bij import en teelt in de EU.
Nederland kent ook nationale regelgeving voor aardappelmoeheid. U vindt deze op de pagina's Teeltvoorschrift aardappelmoeheid en de pagina’s voor telers van andere producten (uitgangsmaterialen, plantmaterialen).